*

 

Europa heeft president nodig

Eimert van Middelkoop − 31/01/03, 00:00

Europa speelt nog geen rol van betekenis voor zijn burgers. Dat kan veranderen met de benoeming van een president. Niet in de zin van een Europees staatshoofd, want Europa zal altijd een verzameling lidstaten blijven. Maar er is wel behoefte aan een secretaris-generaal.

In de verkiezingscampagne hoorden we nauwelijks iets over Europa, slechts van buiten kwam het bericht dat de Franse president Chirac en de Duitse bondskanselier Schröder het voorstel deden voor een Europese president. De Nederlandse regering reageerde afwijzend en kreeg daarbij van anderen bijval. Daarmee kan echter niet worden volstaan.

Het zal niet voor het eerst zijn dat het gezamenlijke Frans-Duitse woord een machtswoord voor anderen zal blijken. Nederland dient daar ook nu rekening mee te houden aangezien het Verenigd Koninkrijk en Spanje sympathie hebben getoond voor de idee van een Europese president.

In de tweede plaats verdient dit institutionele voorstel aandacht om redenen van de zaak zelf en die zaak is de toekomstige staatkundige ordening van de Europese Unie. Het is mijn overtuiging dat op de Conventie over de toekomst van de Europese Unie eerst en vooral de legitimiteit van de Europese samenwerking aan de orde is. Elk nieuw voorstel zal daaraan moeten worden getoetst, want de Unie is er niet in geslaagd zich een vertrouwenwekkende plaats te verwerven in de hoofden en harten van de burgers van Europa. De politieke oriëntatie van die burger blijft zijn nationale staat.

Er is echter meer. De primaire impuls achter de Europese integratie was de ervaring van de Tweede Wereldoorlog. Daarnaast werd de politieke lotsverbinding bevorderd door de externe dreiging vanuit het toenmalige Oostblok. Beide argumenten voor integratie hebben met het voortschrijden van de tijd echter aan betekenis ingeboet.

Nu zal de Europese Unie de redenen van haar bestaan aan iets anders moeten ontlenen. Dat is alleen al noodzakelijk omdat de Unie inmiddels de rechtsorde en het beleid van de lidstaten zeer vergaand is gaan bepalen. Slechts een kleine, goed geïnformeerde elite weet waarover het gaat zodat het democratisch draagvlak van de Unie zwaar onder de maat is gebleven.

De leden van de Conventie doen er dan ook verstandig aan sterk consoliderende voorstellen te doen. Want er is in vijftig jaar Europese samenwerking al wel zoveel bereikt als het gaat om welvaartsbevordering en intern-Europese stabiliteit dat een pas op de plaats in de rede ligt. Dat geldt eens te meer nu de grote klus van de toetreding van tien lidstaten nog geëffectueerd moet worden.

Consolidatie betekent dat aan het geheel eigen karakter van de Europese samenwerking recht moet worden gedaan. Welnu, de aard van de vervlechting van enerzijds de nationale staten, waarin de democratie verankerd is en anderzijds de instellingen van de Europese Unie, doet denken aan de politieke structuren van het feodale Europa van weleer. De kern van dit feodale Europa is dat er deels een hiërarchische relatie is tussen de lidstaten en de Unie en deels een contractuele relatie met goed omschreven wederzijdse verplichtingen. Het gaat ook nu om een Europa met overlappende gezagsstructuren zonder een sterk machtscentrum. Dit Europa is feodaal omdat het draagvlak en de democratische rechtvaardiging ontbreekt om te streven naar een kunstmatige homogeniteit. Er is immers geen Europees volk en de culturele diversiteit blijft in het oog springen. Dit Europa is neo-feodaal omdat, anders dan in het verleden, de Unie en de staten nu niet wederzijdse verplichtingen kennen op het punt van de veiligheid, maar in de bevordering van welvaart.

Erkenning van dit neo-feodale karakter van de Europese samenwerking heeft onmiskenbaar voordelen. Het sluit aan bij de realiteit dat het democratisch Europa nog altijd belichaamd wordt door de nationale staten en dat de integratie een functionele is en zal blijven. Het kan ons eindelijk ook bevrijden van de frustraties van het najagen van het aloude, maar nooit haalbare, ideaal van het federale Europa.

In dit model is ook ruimte voor een 'president' van Europa. De term is evenwel misleidend, want deze figuur zal weinig lijken op het type president dat de Verenigde Staten en Frankrijk kennen. Het gaat in Europa immers niet om een staatshoofd. Eerder ligt de vergelijking in de rede met de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Te denken valt dan aan een nieuw, onafhankelijk, ambt met coördinerende en agenderende bevoegdheden. De benoeming geschiedt door de Europese raad. Deze 'president' kan, bij handhaving van het roulerend voorzitterschap, elke nieuwe voorzitter bijstaan en zo zorgen voor enige continuïteit. Een Nederlandse regering met enig historisch besef kan ten slotte voorstellen deze nieuwe functionaris te tooien met de bij dit model passende kwalificatie van 'stadhouder'.

mailIcon print |