Meneer W. had geen vrouw, geen kinderen, wel een zus, maar die was al overleden toen het gebeurde. Hij bezocht haar trouw tweemaal per week en verbleef dan in de serviceflat naast ons verpleeghuis. Daarnaast had hij ook een adres ergens in de Amsterdamse Plantagebuurt. Hij was toen 81, gepensioneerd leraar Duits en Economie. Hij maakte een joviale zij het lichtelijk bizarre indruk. De lange tanige gestalte waar altijd hetzelfde morsige terlenkapak omheenslobberde, zijn gladde kale kop, de zware hoornen bril en de misleidende pretoogjes die zijn vreugdeloosheid verborgen, het deed denken aan de krankzinnige profesoor Lupardi uit een stripverhaal.
Hij zwaaide graag naar je, van verre, maar sprak ongaarne als je dichter bij hem kwam. Dat joviale ging niet diep. Maar wat eronder zat? Ik fantaseerde over een filosofische getinte afkeer van het zichzelf uitwissende gefrunnik dat wij voor leven houden. Dat verklaarde tevens zijn kinderloosheid. Maar het verklaarde niet waarom hij het leven slechts gedeeld had met zijn zus. Nee, dat hij nooit voor liefde de deur uit gegaan was kwam meer uit angst en achterdocht voort dan uit stoïcisme.
Ik ontdekte dat hij niet verzekerd was tegen ziektekosten.
,,Ik vertrouw niemand'', zei hij met een scheve grijns.
,,Maar daarom kunt u zich toch nog wel verzekeren?''
,,Ik heb het niet nodig'', vond hij.
Tijdens de oorlog zat hij ondergedoken in Zeeland. Niet dat hij mij ooit een dermate concreet detail uit zijn biografie zou verstrekken, maar ik hoorde dit van de huishoudelijke hulp die zijn zus wel eens bezocht.
,,Het zijn joodse mensen'', vertrouwde ze mij toe, alsof ze zeggen wilde: u moet heel voorzichtig met ze doen.
Ik probeerde W. een keer een joodse grap te vertellen.
A: De joden hebben trouwens ook de Titanic tot zinken gebracht.
B: Doe nou niet zo raar.
A: Ik zweer het je.
B: Hou even op, zeg. Dat was een ijsberg.
A: Dat zeg ik! Steinberg, Rosenberg, Eisberg! Allemaal joden!
Hij keek mij niet begrijpend aan en zei: ,,Ja, ja.''
Een vreselijk moment, want ik betwijfel of hij wel op de hoogte was van de sociale procedure bekend onder de beschrijving: 'iemand een mop vertellen'.
Een jaar na de dood van zijn zus belde hij mij vanuit zijn flat in de stad. Hij legde uit dat hij er voor het eerst van zijn leven niet in slaagde zijn belastingformulier goed in te vullen.
,,Ik vrees'', zo formuleerde hij omstandig, ,,deze geestelijke onmacht in verband te moeten brengen met enige lijfelijke hapering, en acht een en ander op mogelijk fatale wijze met elkander verweven.''
Hij noemde een aantal symptomen die mij aan ernstig nierfalen deden denken en ik zei dat hij onmiddellijk zijn huisarts moest bellen. Had hij niet. Ik zei dat ik zelf langs zou komen, maar hij verbood dat en zei dat hij mij niet binnen zou laten.
In de daaropvolgende weken belde hij om de twee of drie dagen om mij (of de wereld) ervan te weerhouden iets te ondernemen. Ik achtte hem te hoog om dit merkwaardige afscheid te versjteren, maar hij werd steeds warriger en ik wees hem erop dat dit alles tot zijn dood zou leiden. Vond hij best.
,,Wat denkt u van de dood? Hoopt u ergens op?'', vroeg ik.
,,Hopen?'' - hij begon hard te lachen - ,,op iets na de dood?''
Goed, daar hoefden we ons dus verder geen zorgen over te maken, al had hij er van mij wat minder hard om mogen lachen. Ik zei hem dat hij een verklaring ergens moest neerleggen om te voorkomen dat iemand hem op het laatste moment toch naar een ziekenhuis zou brengen. Want je leest wel vaak in de krant dat iemand maandenlang dood in zijn huiskamer heeft gezeten, maar als je op een dergelijke afwikkeling aanstuurt zul je zien dat je zeer levend op de Eerste Hulp van een ziekenhuis wakker wordt.
Inderdaad sloeg de buurvrouw alarm toen ze zag dat zijn krant niet meer uit de brievenbus werd gehaald. In het ziekenhuis noemde hij mijn naam en er werd besloten zijn sterven niet te onderbreken, maar hem naar de serviceflat te verhuizen waar ik hem in de gaten kon houden. De ambulancebroeders troffen een volkomen leeg appartement, legden hem voorzichtig op de grond, en waarschuwden ons meteen om te komen kijken. Dit was natuurlijk ondoenlijk en zo eindigde hij toch in een schoon en warm bed op mijn afdeling, precies de situatie die hij had willen vermijden. Hij at niets, sprak zelden een enkel woord en dronk nauwelijks. Hij keek mij met zijn uitgedoofde ogen, naar ik meende, verwijtend aan, maar wat had ik anders moeten doen?
Als hij echt alleen had willen sterven, had hij mij niet moeten bellen.
Wat een opmerking: 'Als u echt alleen had willen sterven had u mij niet moeten bellen'. Na een week stierf hij.
Na zijn dood bleek hij via speculaties op de beurs een vermogen van acht miljoen gulden te hebben vergaard. Hij had twee adressen in Amsterdam. Daarnaast had hij een flat in Zürich en een appartement in New York. Zijn hele leven op de vlucht gebleven voor de nazi's, niets of niemand vertrouwend, behalve zijn miljoenen en naar twee kanten toe die vluchtmogelijkheid.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.