*

 

Fortuyns ontdekking van 'eigen volk eerst'

J.A.A. van Doorn − 06/05/03, 00:00

Pim Fortuyn, dezer dagen herdacht, heeft geen samenhangend programma nagelaten, zodat elke reconstructie van zijn gedachtegoed hem onrecht doet. Toch is het niet te gewaagd bij hem twee centrale thema's aan te wijzen: populisme en nationalisme, in combinatie te vangen onder de oude leuze 'eigen volk eerst'. Door deze verboden leuze hardop uit te spreken, leerde Fortuyn dat hier zijn kansen lagen: de tijd was er rijp voor. Met een onmogelijk beeld: Fortuyn was een seismograaf die een aardschok veroorzaakte.

'The year that shook the Netherlands': een betere kwalificatie is voor het jaar 2002 moeilijk te bedenken. Alles was even schokkend en onthutsend: de koelbloedige moord op de politicus Fortuyn en de daarop volgende on-Nederlandse uitbarsting van politieke haat; het ontstaan uit het niets van een grote politieke formatie, meteen tot regeringsverantwoordelijkheid geroepen maar nog hetzelfde jaar gedumpt en afgeschreven; de catastrofale verkiezingsnederlaag van het redelijk succesvolle PvdA-VVD-kabinet, al een halfjaar nadien gevolgd door de ineenstorting van het 'tegenkabinet' van CDA, LPF en VVD.

De verkiezingen van 22 januari vestigen de indruk dat het dolle avontuur achter de rug is: de oude partijen hebben hun plaatsen weer ingenomen en de kabinetsformatie sukkelt op de vertrouwde wijze naar een ingewikkeld compromis. En het is evenzeer waar dat met name de PvdA, die aanvankelijk tot in het diepst van haar wezen ontredderd leek, nu weer doet alsof ze kan overgaan tot de orde van de dag.

Maar het raadsel is gebleven en sinds 22 januari zelfs vergroot. De explosies in de kiezersgunst die eerst Pim Fortuyn en vervolgens Wouter Bos wisten te bewerkstelligen -de eerste in een paar maanden, de tweede in enkele weken- lijken erop te wijzen dat de politieke orde vloeibaar is geworden. Men spreekt van 'kiezers als stuifzand' (columnist Kees Schuyt in de Volkskrant) en van een 'flipperkastdemocratie' (Mark Kranenburg in NRC Handelsblad). Oud-D66-minister Roger van Boxtel had het in een terugblik zelfs over een dreigende 'wildwestdemocratie' en vroeg zich vertwijfeld af of Nederland 'gek was geworden'.

Wie er vorig jaar ook gek was of gek werd gemaakt, Fortuyn zélf zeker niet. Hoewel zijn politieke stijl uitgesproken individualistisch was, persoonlijk tot op het onbeschaamde af, vertolkte hij kennelijk tot in de perfectie de heersende stemming in het land. Hij trok keer op keer volle zalen in een tijd dat gerenommeerde Haagse politici voor lege stoelen plachten te praten; zijn verkiezingsmanifest 'De Puinhopen van acht jaar Aaars' vloog à raison van 14,95 euro in duizendtallen de boekhandel uit terwijl de gratis beschikbare verkiezingsprogramma's van de andere partijen nog niet aan de straatstenen waren te slijten.

Fortuyns grandioze succes valt alleen te verklaren indien we aannemen dat hij de kunst verstond aanwezige gevoelens en opinies te herkennen en trefzeker te verwoorden. Wat dagelijks in kleine kring werd vervloekt en bejammerd -thuis, in het café, op het werk- vertaalde hij in robuuste uitspraken. Zo werd door zijn toedoen de gespreide onvrede van honderdduizenden samengebald tot een serie venijnige aanklachten, op smaak gebracht en hapklaar gemaakt voor de altijd gretige media.

Deze stijl van politiek bedrijven heet populisme. De politicus probeert het electoraat niet te overtuigen van de juistheid of redelijkheid van zijn (partij)standpunten, maar hij beaamt kritiekloos wat er leeft onder de kiezers, praat hen naar de mond en speelt in op hun al dan niet gerechtvaardigd onbehagen.

Nu hebben populisten alleen succes indien ze geloofwaardig zijn. De indruk moet niet bestaan -zoals bij veel verkiezingscampagnes het geval is- dat de politicus in kwestie een ogenblik onder de Haagse kaasstolp is uitgekropen om wat met de man in de straat te keuvelen. Fortuyn had het voordeel nooit onder de stolp te hebben gebivakkeerd en bovendien voortdurend 'op straat' te zijn geweest.

Hij sprak dan ook de taal van de straat. Zijn columns, boeken, toespraken en interviews waren in veel opzichten veredelde borrelpraat: kankeren op niveau. Evenals zijn publiek toonde hij een grondige hekel te hebben aan politieke regenten en zakkenvullers, ambtelijke bemoeials en academische praatjesmakers. In die afkeer was hij oprecht, en dat kwam over.

Zijn veldtocht tegen de 'muffe' en soms 'ronduit stinkende elite-democratie' werd mede een succes omdat de elites erin stonken: opgejaagd door hun stijgende paniek liepen de vertegenwoordigers van vrijwel alle partijen tegen hem te hoop. Zijn claim de enige en ware politieke oppositie te vertegenwoordigen, werd door de onophoudelijke en vaak virulente kritiek van zijn tegenspelers ongewild bevestigd. Ze vormden een gesloten front en werden tot wat Fortuyn hen voortdurend verweet te zijn: een establishment dat geen vreemde gasten in het gemeenschappelijk beheerde bastion wenste te dulden.

Ten slotte moet niet worden vergeten dat Fortuyn op een buitengewoon gelukkig moment in actie kwam. De verkiezingen die voor 15 mei 2002 waren gepland, leken al lang tevoren een gelopen race. De leiding van de grootste partij was ordelijk door Kok aan Melkert overgedragen, zodat Kok-I en Kok-II in Melkert-I konden voortleven. Zoals de paarse coalitie, zo zou alles blijven: gepolijste praat van politici, goed gedisciplineerde kamerleden, applaudisserende partijcongressen, op affaires jagende media en -heel ver weg- verbaasd en geërgerd toekijkende burgers die verder niets werd gevraagd.

Vandaar dat Pim Fortuyns even kloeke als lege leuze 'We willen het land teruggeven aan de mensen', een schot in de roos was. Een kiezersopstand was het gevolg.

De opstand heette gericht te zijn tegen 'de puinhopen van paars', maar was dat maar zeer ten dele. Uit onderzoek van de Amsterdamse politicoloog Philip van Praag is overduidelijk gebleken dat de stemmers op de Lijst Pim Fortuyn helemaal niet wakker lagen van de files, de wachtlijsten en de WAO, maar gebiologeerd werden door het toelatingsbeleid voor asielzoekers, symbool voor een veel breder complex van problemen op de onderling verbonden terreinen van multiculturaliteit en criminaliteit. De aanhangers van de LPF, zegt Van Praag, vormden een 'Nederland-is-vol-coalitie' (de Volkskrant, 12 september 2002).

Een scherp waarnemer als de Amerikaanse Nederland-specialist James Kennedy kwam tot dezelfde conclusie: Fortuyns rebellie ging over de schaduwzijden van de multiculturele samenleving en vooral van de migratie. De kwestie was lang verwaarloosd; nu vond een correctie plaats (Vrij Nederland, 17 augustus 2002).

Verder valt op -en dat past in dit kader- dat Fortuyn tot de eerste politieke publicisten behoort die Nederland te wapen riepen 'tegen de islamisering van onze cultuur', de titel van een boek uit 1997, met als even sprekende ondertitel: 'Nederlandse identiteit als fundament'. Hij zou telkens weer op dit thema terugkomen, onder meer in zijn boekje over Israël dat een jaar later verscheen en waarin hij het conflict in het Midden-Oosten een plaats geeft in de wereldwijde strijd tussen moderniteit en fundamentalisme, in het bijzonder in de islamitische wereld. Hij was zijn tijd behoorlijk ver vooruit.

Alles komt samen in zijn befaamde interview in de Volkskrant van 9 februari vorig jaar dat werd gepubliceerd onder de kop 'De islam is een achterlijke cultuur'. Het stuk kostte hem zijn lijsttrekkerschap van Leefbaar Nederland maar het zette tegelijk de toon voor het politiek debat nadien: een restrictief vreemdelingenbeleid, veel minder asielzoekers, geen bruiden uit allochtone landen en rigoureus de grens dicht voor moslims.

Fortuyn had het al vaker gezegd en in dit interview herhaalde hij het, op beschuldigende toon: 'Janmaat had gewoon voor een deel gelijk. En door de demonisering waaraan uw krant ook heeft meegedaan, kon dat allemaal niet meer gezegd worden.'

Gezien dit alles is het niet overdreven, en zeker niet 'demoniserend', het gedachtegoed van Fortuyn te karakteriseren als nationalistisch, een niet helemaal nauwkeurige maar in ieder geval beschaafde vertaling van de besmette leus 'eigen volk eerst'.

Daarbij bleef het niet. Ook zijn filippica tegen 'Brussel' -in zijn boek 'Zielloos Europa'- past in dit kader. Naar zijn mening zijn de europolitici erop uit de nationale identiteiten in Europa 'uit te wissen', identiteiten die het resultaat zijn van de rijkdom aan volken, talen en culturen. Anderzijds ziet hij niets in het Joegoslavië-tribunaal en het Internationaal Strafhof in Den Haag. Waarom zouden we ons mengen in de gang van zaken in vreemde landen als wijzelf er niet van gediend zijn dat 'de een of andere Ali Baba ons komt vertellen hoe wij hier moeten leven?'

Fortuyn is dood en de puinhopen van zijn partij zijn grotendeels opgeruimd. Maar hij heeft niet vergeefs geleefd. Hij heeft 'rechts' meer ruggengraat gegeven en 'links' aan het denken gezet.

Zo wordt in de PvdA gestudeerd op de kansen van een links-populisme dat het succesvol gebleken rechts-populisme de wind uit de zeilen kan nemen. Ook is het multiculturele project, paradepaard van de 'linkse kerk', op een zacht pitje gezet. Misschien is het toch niet zo'n goed idee geweest elke vreemde cultuur dezelfde rechten en ontplooiingskansen te geven als die de autochtone bevolking als vanouds bezit.

De VVD is al een stap verder. Een mooi voorbeeld is de schrille oproep van de VVD-kamerleden Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders, vorige maand gedaan in NRC Handelsblad, over te gaan tot 'een liberale djihad', als 'het enige gepaste antwoord op een islamitische djihad'. Het gaat van dik hout zaagt men planken: islamitische scholen waar jonge kinderen worden 'overgeleverd aan godsdienstwaanzinnigen', moeten worden gesloten. Elementaire rechten kunnen niet langer worden ontzien: de vrijheid van meningsuiting, van godsdienst en van onderwijs.

De overheid heeft weinig aanmoediging nodig. Ministers, kamerleden en veiligheidsdiensten, politie en justitie tonen zich waakzaam ten aanzien van vreemdelingen en vreemde organisaties, zeker indien er contacten lijken te bestaan met landen waar fundamentalisten de dienst uitmaken. Men ontziet zich niet preken in moskeeën op hun inhoud te onderzoeken en onderwijsinspecteurs godsdienstlessen te laten bijwonen zodat ze het gehoorde op staatsgevaarlijke uitingen kunnen controleren.

Het is ongetwijfeld waar dat de gebeurtenissen van 11 september aan dit alles een eigen en zeer krachtige impuls hebben gegeven. We zijn sindsdien allemaal Amerikanen. Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat de oude vaderlandse discussie over normen en waarden scherper en dwingender is gaan klinken en begint uit te monden in een civil religion die als toetssteen kan dienen van nationale betrouwbaarheid.

Het is moeilijk te zeggen hoe Pim Fortuyn de gang van zaken in het jaar na zijn dood zou hebben beoordeeld. Naar mijn inschatting zou hij niet ontevreden zijn geweest.

mailIcon print |