,,De slavernij in Mauretanië is geen uitzondering, maar slechts een extreme vorm van een uitgebreide feodale structuur. Dat horen veel Afrikanen niet graag. Men doet alsof de slavernij een blanke uitvinding is. Maar het tegendeel is eerder waar: bezien vanuit de wereldgeschiedenis is niet de slavernij, maar de vrije arbeid iets buitengewoons. West-Europa, waar sinds de 14de eeuw nauwelijks meer slavernij bestaat, is eigenlijk een uitzondering.'' De Zwitserse antropoloog David Signer ging op zoek naar lijfeigenen in Mauretanië.
Op de markt van Nouakchott, de hoofdstad van Mauretanië, zit een oude man op de grond te midden van zijn waren - piepkleine metalen tabakspijpen in leren etuis, juwelendoosjes, sandalen - en probeert een puzzel te leggen. Honderden stukjes liggen om hem heen. Uit het handjevol dat hij heeft gelegd is het silhouet van een leeuw te herkennen.
,,A salam aleikum,'' begroet hij mij. ,,Komt u uit Duitsland?'' ,,Zo ongeveer.'' ,,Dan kunt u mij vast helpen. Heeft u verstand van puzzels?'' Uit beleefdheid hurk ik even bij hem neer en kijk net zo verloren als hij naar de berg kartonnen stukjes.
,,Ik heb hem van een Duitser gekregen, maar ik krijg het niet voor elkaar.''
Mauretanië is als een puzzel waarvan de stukjes niet bij elkaar passen. En de spelers - de politici die dit land van de kolonisatoren 'cadeau' kregen - weten niet hoe ze ermee om moeten gaan. Drie bevolkingsgroepen bewonen hetzelfde land, maar leven in verschillende werelden: de witte Mauren, vroegere nomaden, heersen over de staat. Maar het werk wordt gedaan door slaven en bevrijde slaven (zogenaamde Haratin) en door Afro-Mauretaniërs uit het zuiden. De reusachtige woestijnstaat heeft slechts twee miljoen inwoners; bijna de helft daarvan zijn slaven of afstammelingen van slaven.
Mauretanië is daarmee in het bezit van een eigenaardig dubbelrecord: het heeft de laagste bevolkingsdichtheid ter wereld en het hoogste percentage slaven. Toen Nouakchott in 1960 tot nieuwe hoofdstad werd uitgeroepen, was het nog een dorp en leidde tachtig procent van de Mauretaniërs nog een zwervend bestaan. Nu woont bijna een derde van de inwoners van Mauretanië in Nouakchott. (Een ander derde deel zou op weg zijn naar Nouakchott en het laatste derde deel zou het geld bij elkaar schrapen voor een ticket...) Wie al de fraaie nieuwe gebouwen ziet die de laatste jaren werden opgetrokken, vraagt zich af waar het geld eigenlijk vandaan komt in een land dat bijna uitsluitend uit zand bestaat. Het antwoord: bouwen kost, zoals zoveel andere zaken, bijna niets, omdat de arbeiders zwoegen zonder beloning. We noemen dat, in één woord, slavernij. In de 21ste eeuw. In Afrika.
Officieel schafte Mauretanië de slavernij in 1980 af. Maar sancties tegen overtredingen werden tot nog toe niet eenmaal uitgevaardigd. En veel slaven hebben van de afschaffing waarschijnlijk niets gemerkt. Ze kunnen niet lezen en als ze het al konden, dan zou het ze weinig baten: van de kritische pers in het land valt vooral op dat ze zich in niets van de regeringsgezinde pers onderscheidt. De argumenten die over dit thema naar voren zijn gebracht, zijn van een opmerkelijke onverenigbaarheid: ,,De slavernij bestaat niet meer omdat ze immers is afgeschaft''.
Het probleem is dat een slaaf, ook als hij weet dat hij er eigenlijk geen meer is, niet veel andere mogelijkheden heeft. Wat moet hij doen als hij aan zijn meester is ontsnapt? Hoogstwaarschijnlijk voegt hij zich bij het leger van krottenbewoners in Nouakchott, die weliswaar vrij zijn, maar een nog beroerder leven hebben dan vroeger als lijfeigenen. Vrij verhongeren of - en dat is maar al te vaak het enige alternatief - onvrij eten. Toch lukt het soms. Khadija mint Boilil is bij haar meester weggelopen. (Haar naam is veranderd. Wie in Mauretanië met journalisten over het thema slavernij spreekt, riskeert grote moeilijkheden.) Ze woont samen met haar gehandicapte dochter in een kleine stad in het westen van Mauretanië in een zogenaamde hangar, bestaande uit vier houten palen die met doeken verbonden zijn. De vrouw is een jaar of vijftig, of misschien zestig, zo precies weet ze dat zelf niet. Ze is, zoals alle slavinnen, gehuld in zwarte doeken. Er is een hardheid in haar gezicht.
Hoe was haar leven als slavin, wat voor werk verrichtte zij voor haar heer?
,,Ik stampte gierst, bereidde couscous, haalde water uit de bron en zorgde voor de dieren'', vertelt ze. ,,Ik kreeg geen loon. Als ik eens niks deed, liep ik de kans gestraft te worden. Ik had een eigen tent, daar sliep ik met mijn man en mijn tien kinderen. Mijn moeder werkte al voor dezelfde Maurenfamilie. Ikzelf begon voor hen te werken toen ik acht was.''
,,Hoe kwam het dat u wegliep?''
,,Op die dag kreeg ik ruzie met de Mauren. Ik kon er vandoor gaan omdat ze op een bepaald moment allemaal weg waren. Ik maakte van de gelegenheid gebruik en ging met mijn broer weg. De familie zei me later dat ik terug moest komen, maar ik weigerde. Ik was bang. Ze spoorden me op en maakten problemen. Mijn broer zei tegen hen: als jullie nog één keer komen, sla ik jullie bont en blauw. Toen kwamen ze niet meer.''
,,Waarom kreeg u ruzie met de familie?''
,,Ze wilden dat ik zelf de belasting betaalde voor de dieren die ik verzorgde'', zegt Khadija mint Boilil. ,,Dat weigerde ik. Als we elkaar nu op straat tegenkomen groeten we elkaar, dat is alles. Ik weet niet of er iemand is die nu mijn werk doet. Van mijn familie is daar in ieder geval niemand meer. Maar ik heb gehoord dat er in het dorp nog steeds slaven zijn.''
,,Wat hebt u na uw vlucht gedaan?''
,,Ik had het geluk dat iemand mij een stukje grond gaf om mijn tent op te kunnen slaan. Ik maak nu drinkbuidels van leer. Die verkoop ik. Het levert net genoeg op om van te eten. Ik heb ook een paar kippen. We eten niet elke dag. De mensen van de winkel geven me soms wat op de pof. Het leven is hard, maar ik vertrouw op Gods hulp.''
Mauretanië komt langzaam onder druk te staan. Onlangs verscheen 'De nieuwe slavernij' van de Amerikaanse socioloog Kevin Bales, een boek dat veel aandacht trok. Daarin stelt hij vast dat de slavernij niet is verdwenen, maar juist wereldwijd toeneemt. Hij schat het aantal mensen dat vandaag de dag (nog of opnieuw) in slavernij leeft op 27 miljoen. Dat zijn er meer dan er ooit door slavenhandelaren vanuit Afrika over de Atlantische Oceaan zijn versleept. En de prijs van een slaaf is lager dan ooit, omdat hij - cynisch gezegd - een paar jaar wordt uitgebuit en dan weggeworpen, terwijl de 'klassieke' plantage-slaaf van de 18de eeuw in het algemeen nog een minimale levenslange bescherming genoot.
De doortrapte critici van Bales beweren dat je juist vanwege het tijdelijke karakter van de uitbuiting niet mag spreken van slavernij. Maar eigenlijk is de huidige slavernij - Bales behandelt, naast Mauretanië, de prostitutie in Thailand, de houtskoolkampen in Brazilië, de pannenbakkerijen in Pakistan en de op schulden gebaseerde lijfeigenschap over meerdere generaties in India - nog erger dan die uit het verleden.
,,In het huidige Mauretanië bestaat geen slavernij, maar waar je ook kijkt, op elke straathoek en in elke winkel, op elke akker en in elk veld zie je slaven'', luidt Bales' conclusie. ,,Ze vegen en maken schoon, ze koken en zorgen voor de kinderen, ze bouwen huizen en hoeden schapen, ze slepen met water en pannen - ze doen al het werk dat zwaar, onaangenaam en smerig is. De economie van Mauretanië rust geheel op hun schouders; alleen hun niet aflatend gezwoeg stelt hun meesters in staat een aangenaam leven te leiden en garandeert zelfs het levensonderhoud van diegenen die zelf geen slaven houden.
Soortgelijke kritiek is te vinden in het Amnesty-rapport dat afgelopen december verscheen - precies op de 21ste verjaardag van de afschaffing van de slavernij in Mauretanië. Daarin wordt vastgesteld dat een weggelopen slaaf over geen enkele juridische bescherming beschikt en dat ngo's (non-governmental organizations) als 'SOS Esclaves' ofwel ondergronds moeten werken ofwel blootgesteld zijn aan zware repressie. Het rapport werd door de kranten meteen 'ontmaskerd' als een verraderlijk verzinsel van een paar decadente, publiciteitsgeile oppositieleden die zich in Parijse nachtclubs vermaakten met champagne en hoeren.
Een veel serieuzere kritiek wijst erop dat bij dit thema veel afhangt van de definitie van een 'slaaf'. Slaven in de enge betekenis, van wie de kinderen automatisch weer overgaan in het bezit van de meester en die met geweld worden vastgehouden, van die slaven zullen er in Mauretanië niet veel meer zijn. Bales en de internationale organisaties definiëren slavernij breder - als de volledige uitbuiting van een mens. Van zulke slaven zijn er in Mauretanië steeds meer en het door Bales geschatte aantal van enkele honderdduizenden lijkt eerder aan de lage kant, schreef de Duitse socioloog Urs Peter Ruf (die het land intussen niet meer in mag) in zijn boek 'Ending Slavery'.
Zo bezien verliest Mauretanië veel van zijn bijzondere status. De slavernij die in Afrika al bestond, lang voor de Europese mensenhandelaren hun entree maakten, is ook nu nog niet verdwenen; denk bijvoorbeeld aan staten als Niger (met de Toearegs als slavenhouders), Soedan (waar slavernij een wapen is in de oorlog tegen het zuiden van het land) of aan de kinderslaven op de plantages in Ivoorkust. En terecht vroeg mij een Mauretaniër in Nouakchott wat dan het onderscheid is tussen een Mauretanische huisslaaf enerzijds en een boy in Nigeria of een bonne in Mali anderzijds, die van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat het hele huishouden doen voor dertig franken in de maand (en vanwege dit 'loon' niet voor slaven doorgaan). Inderdaad is het verschijnsel van de uitgebuite huisbediende zo alledaags in Afrika dat het nauwelijks geproblematiseerd wordt (er is bijna geen stedelijk huishouden zo arm dat de vrouw des huizes het zich niet kan permitteren om de halve dag op een sofa te liggen en de bonne te roepen om haar nagellak aangereikt te krijgen). Opzien baart deze praktijk pas als het naar Europa wordt overgebracht, bijvoorbeeld door Afrikaanse diplomaten die hun gratis huisbedienden meebrengen naar Genève of Londen (zoals onlangs beschreven door de Soedanese Mende Nazer in haar bestseller 'Slavin').
Om te begrijpen waarom deze verhoudingen voor de meeste Afrikanen niets schandaligs hebben, moet men zich de sociale structuur van deze landen voor ogen halen. Van een vrije arbeidsmarkt in de westerse betekenis is alleen bij uitzondering sprake. Heel vaak is de arbeid georganiseerd volgens familielijnen of daaraan verwant via het patroon-cliënt-model. Dat betekent dat werkgever en werknemer in een meester-knecht-verhouding tot elkaar staan, waarbij de meester een veel grotere verantwoordelijkheid voor zijn knecht heeft dan een normale werkgever, bijvoorbeeld in geval van ziekte. De toegekende status op grond van kaste, clan, leeftijd of geslacht is in deze hiërarchische samenlevingen veel belangrijker dan een status die door prestatie is verworven.
Begrippen als 'gelijke kansen', 'arbeidsethos' of 'de gelijkwaardigheid van alle mensen', die in Europa door de Verlichting naar voren kwamen, zijn deze pre-kapitalistische wereld over het algemeen vreemd. Als het principe van het prestatieloon zou gelden, dan zouden de meeste bordenwassers in Afrika al lang miljonair zijn. De miljonairs zouden daarentegen aan de bedelstaf zijn geraakt. Maar arbeid, en vooral lichamelijke arbeid, adelt niet maar brengt in diskrediet; ze is het Kaïnsteken van de lage kasten en de slaven. Alleen in dit kader is het te begrijpen dat vele Mauretanische 'slaven' zich niet zien als slaven maar als geadopteerde familieleden, als dankbare pupillen en de 'slavenhouder' als strenge maar zorgzame patroon.
Tegen deze achtergrond van wijdverbreid feodaal-autoritarisme is de slavernij in Mauretanië niet een uitzondering, maar slechts een extreme vorm van een uitgebreide sociale structuur. Dat horen veel Afrikanen niet graag. Men doet alsof de slavernij een blanke uitvinding is. Maar het tegendeel is eerder waar: bezien vanuit de wereldgeschiedenis is niet de slavernij maar de vrije arbeid iets buitengewoons. West-Europa, waar sinds de 14de eeuw nauwelijks meer slavernij bestaat, is eigenlijk een uitzondering.
De transatlantische slavenhandel was alleen maar mogelijk dankzij Afrikaanse slavenhandelaren en deze binnen-Afikaanse handel functioneerde op zijn beurt alleen maar daarom zo goed omdat ze kon steunen op een veel ouder, cultureel diep verankerd slavensysteem. (In Mauretanië was het uitgerekend de kolonialist Xavier Coppolani geweest die tegen de wil van de inheemse bevolking heeft geprobeerd de slavernij te beëindigen.) Ook tijdens de hoogtijdagen van de transatlantische slavenhandel werden op de Afrikaanse binnenmarkt meer slaven verkocht dan geëxporteerd. En welbeschouwd werd de slavernij uiteindelijk niet door de slaven zelf (behalve op Haïti) of door hun zwarte broeders afgeschaft maar door blanken, en toen de bevrijde slaven naar Liberia konden terugkeren, begonnen ze daar meteen weer (Afrikaanse) slaven te houden.
In het zuiden van Ivoorkust zei een koffieplantagebezitter van de stam van de Agni drie jaar geleden tegen me: ,,Als een Agni lichamelijk werk moet doen, gaat ie dood''. Daarom liet hij al het werk door moslims uit het noorden doen, precies diegenen die er op een gegeven moment genoeg van hadden om als indringers of profiteurs behandeld te worden en politieke inspraak eisten, wat nu leidt tot het verval van het vroegere 'Zwitserland van Afrika'.
In vele samenlevingen van Afrika bestaat ook nu nog een onzichtbare tweedeling tussen edelen en vroegere slaven, die af te lezen is aan de familienamen. In Mali of Guinea komt het vaak voor dat wanneer twee mannen zich aan elkaar voorstellen, de een half schertsend tegen de ander zegt: ,,Dus jij bent mijn slaaf''. Maar het kan ook komen tot grove discriminatie en bloedige conflicten, zoals in Zuidoost-Nigeria, bijvoorbeeld bij de aanspraak op land of bij de verdeling van ambten.
In de Volta-regio van het landelijke Ghana bestaat tot op heden een bizarre vorm van kinderslavernij die trokosi - 'huwelijk met de goden' - wordt genoemd. Meisjes worden overgedragen aan de tempelpriester om te boeten voor de zonden van de familie. Men schat het aantal gevangen gehouden meisjes op vijfduizend. Ze moeten zonder beloning tien uur werken op de velden om niet zelden 's nachts door een fetisj-priester seksueel te worden misbruikt.
,,De slavernij was in het oude, pre-koloniale Afrika wijdverbreid en breidde zich verder uit in de 19de eeuw ondanks of juist vanwege de afschaffing'', schrijft de historicus Albert Wirz met betrekking tot de afschaffing van de slavenhandel in 1807 door Groot-Brittannië. 'Als gevolg daarvan maakten de slaven in enkele samenlevingen in West-Afrika de helft of meer dan de helft van de bevolking uit. Vooral in de Sahel- en savannengordel aan de zuidrand van de Sahara kwam het tot een sterke toename van de slavernij, toen daar als gevolg van de islamitische revoluties - veroveringstochten en de vorming van rijken onder de banier van de islam - de oorlogsvoering werd geïntensifeerd en steeds meer mensen tot slaaf werden gemaakt.'
Zolang veel Afrikaanse staten sociaal, economisch en politiek nog zo verscheurd zijn - en het voortbestaan van de slavernij is slechts de spectaculairste uitdrukking van deze desintegratie - zolang zal ook het nieuwe initiatief voor een gezamenlijke Afrikaanse integratie (Nepad) het moeilijk hebben. Maar de meeste Afrikaanse politici hebben toch al niets op met zelfkritiek - integendeel. Want de Afrikaanse staten vestigden hun zelfbewustzijn na de onafhankelijkheid op het einde van de slavernij en het kolonialisme. ,,Tot nog toe ging het ons slecht vanwege de uitbuiting door de blanken'', luidde het credo (waarbij het arabisch-islamitische geweld meestal buiten schot bleef). Alsof door het vertrek van de blanken automatisch alles goed zou worden. Voor de hervorming van de eigen achtergebleven structuren bleef nauwelijks ruimte. Liever concentreerde men de sociale gevoeligheid op het Zuid-Afrika van de apartheid, waar de verhoudingen (slechte blanken, goede zwarten) in het schema pasten. Dat de meeste Afrikaanse staten net zo discriminerend en repressief waren werd wijselijk buiten de discussie gehouden. Als tegenwoordig sprake is van Afrikaanse slavernij, dan treft dat de Achilleshiel van het zwarte identiteitsgevoel, de collectieve verdringing van de Afrikaanse ziel.
Toen in april 2001 het schip 'Etireno' in Cotonou, Benin, binnenliep en 23 kinderen die waren bestemd voor de verkoop naar Gabon, werden overgedragen aan Terre des Hommes, stond de wereldpers direct klaar met de term 'slavernij'. En iets anders was het ook niet. De handelaren kochten de kinderen voor omgerekend ongeveer twintig euro in arme landen als Benin, Mali, Senegal of Togo en verkochten ze in rijke landen als Ivoorkust of Gabon voor het twintigvoudige. Naar schatting 200 000 kinderen wisselen jaarlijks in Afrika zo van 'eigenaar', aan wie ze met huid en haar zijn overgeleverd. Met het trefwoord 'slavernij' had je, juist in Benin, de poppen aan het dansen. Want het vroeger Dahomey genoemde rijk was vier eeuwen lang de grootste slavenexporteur van de Westkust.
Daarom liet de minister van buitenlandse zaken van Benin meteen weten dat het bij de kinderen op de 'Etireno' om iets heel anders ging: ,,De ouders hebben hun kinderen niet verkocht. Voor hen is het normaal dat hun kinderen daar gaan werken en als ze daarvoor wat geld krijgen dan lijkt hun dat normaal, ja zelfs goed. Goed voor hen en goed voor de kinderen. Het is niet hetzelfde als in de 19de eeuw.'' En Unicef, bezorgd om de diplomatieke betrekkingen, ging er direct nog eens dunnetjes overheen: ,,Dit is geen slavernij, omdat de kinderen niet hun leven lang in deze situatie blijven. Die houdt op als ze volwassen worden. Bovendien werden echte slaven in vroegere tijden in de ketenen gelegd.''
In Cotonou herinnert een reusachtig monument aan het lijden van de vroegere slavernij. Die van vandaag wordt goedgepraat als traditie en cultuur en wie er iets van zegt begrijpt er gewoon niets van. En de minister van arbeid van Gabon beweerde eenvoudig dat de buitenlanders die Gabon overspoelden zich schuldig maakten aan de mensenhandel en de kinderen versjaggerden. ,,Ook wij zijn het slachtoffer van deze handel.'' Dat leek precies op wat de Mauretanische president Ould Taya zei toen hij in 1997 in een rede het 'probleem van de slavernij' herleidde tot een complot ten gunste van het buitenland. De kwaaien, dat zijn altijd de anderen.
Het is waar dat in Afrika juist onder arme families de gewoonte bestaat om kinderen aan een rijker familielid in de stad te geven. Het kind moet dan een beetje meehelpen in de huishouding en in ruil daarvoor een school kunnen bezoeken. En de huidige uitwassen van de kinderhandel zijn misschien tegen de achtergrond van zo'n traditie begrijpelijk. Maar een excuus is het niet. Culturen kunnen veranderen: ze komen zogezegd tot besluiten. Ze zijn net zo min als de economie alleen maar een speling van het lot. Soms hoor je de opvatting dat slavernij en kinderarbeid voor arme landen een soort noodzakelijk kwaad zijn in het proces van ontwikkeling. Maar Europa was aan het eind van de 19de eeuw, toen daar de kinderarbeid werd verboden, niet rijker dan grote delen van Afrika en Azië nu. Het besluit om kinderen niet te laten werken maar ze te scholen, was een investering die - zoals iedereen kan zien - zich loonde.
Als Afrikaanse vertegenwoordigers de vroegere praktijken van de blanken voor hun lijden verantwoordelijk maken zonder te kijken naar de hedendaagse, zelfveroorzaakte ongerechtigheden, dan komt dat op den duur huichelachtig over. Zoals in oktober 2002 op de racismeconferentie in Bridgetown, Barbados. Daar werd weer eens nagedacht over concrete en efficiënte strategieën om van het Westen herstelbetalingen voor het aangedane onrecht te kunnen eisen. Maar het enige dat concreet besloten werd en wel meteen aan het begin, was het uitsluiten van alle niet-zwarten van deelname aan de conferentie. ,,We willen een vreedzame en vertrouwelijke discussie, die de niet-Afrikanen niet kan interesseren'', zei de woordvoerster van de Britse(!) delegatie. ,,Veel zwarten verkeren nog in een shocktoestand door wat hun voorouders hebben meegemaakt. Deze traumatisering leidt ertoe dat ze hun problemen niet in aanwezigheid van blanken willen beschrijven. Dit is een zaak van zwarten, dat kunnen jullie niet begrijpen.''
Nadat de aldus uitgesloten deelnemers uit Rusland, Colombia, Martinique, La Réunion en Zuid-Afrika de bijeenkomst hadden verlaten, verklaarde een Ghanese bij de raszuivere heropening: ,,Dit is toch normaal. Je kunt toch niet verlangen dat onze gastvrijheid misbruikt wordt.'' Vanzelfsprekend werden slavernij en uitbuiting in het huidige Afrika met geen woord vermeld.
Terug naar Mauretanië. In Nouakchott discussieerde ik met een blanke Mauretaniër, die in Europa informatica had gestudeerd en onlangs naar zijn land was teruggekeerd. Hij wilde in geen geval met naam genoemd worden, sprak buitenshuis alleen maar Duits met mij en duidde de president uitsluitend aan als de 'man'.
,,Overal spreekt men van nation-building in Afrika'', zei hij, ,,maar eigenlijk zijn er alleen maar centrifugale krachten en particuliere belangen. Ook in de politiek probeert iedereen alleen maar de eigen clan of stam iets toe te schuiven. De traditionele belangenuitwisseling bestaat niet meer en een moderne rechtspraak is er nog niet. Er is iets wat daar tussenin zit: corruptie en willekeur.''
Natuurlijk bestaat op papier het idee van de gelijke kansen, en de afschaffing van de slavernij hoort daar ook bij, meende hij. Maar een goeie baan krijg je niet met diploma's maar alleen door relaties. De armen konden het zich niet permitteren hun kinderen naar school te sturen, er nog van afgezien dat de staatsscholen in het geheel niet deugden en de privé-scholen helemaal op Frankrijk waren georiënteerd. ,,Maar juist de confrontatie met het verleden en het heden van ons land zou heilzaam zijn, vooral voor de elite die ieder besef van realiteit heeft verloren. Er is geen notie van objectiviteit, van feiten in dit land, alleen maar propaganda en tegenpropaganda.''
In 1990 kwam het in Mauretanië tot slachtpartijen onder Afro-Mauretaniërs. De regering hitste de Haratin, de afstammelingen van de slaven, tegen hen op om de zwarte bevolking, die zich sinds het einde van de jaren tachtig voor meer gelijkberechtiging had beijverd, te splijten. Daardoor werden duizenden naar Senegal verjaagd, waar als reactie daar levende Mauretaniërs werden gedood. De betrekkingen tussen beide landen zijn tot op heden gespannen. De Mauretanische regering vaardigde een amnestiewet uit die de verantwoordelijken van elke strafvervolging vrijwaarde. Door een geforceerde arabisering van de politiek en het onderwijs probeerde men bovendien de meer francofoon georiënteerde zwarte bevolking buiten te sluiten. Maar men sneed daarmee in eigen vlees. Het waren namelijk juist de Franssprekenden die beurzen en studieplaatsen in Frankrijk kregen, terwijl de oude elite zich door de edele beoefening van de hoog-Arabische literatuur in een achterkamer manoeuvreerde.
Ook de verscheidene droogteperiodes sinds de jaren zeventig, met fatale gevolgen voor de veestapel, verscherpten de discrepantie tussen de aristocratische pretenties van de witte Mauren en hun precaire economische basis. De daaruit resulterende onmogelijkheid om ook maar minimaal zorg te dragen voor de slaven - en niet menslievendheid - zal een van de belangrijkste redenen zijn geweest voor de officiële afschaffing van de slavernij. Door de recente ontdekking van olie- en gasvoorraden zou zich de kans voordoen dat Mauretanië, met een buitenlandse schuld van meer dan 2,5 miljard dollar en een van de laagste inkomens per hoofd van de bevolking ter wereld, een stap naar de modernisering zet.
De informaticus is sceptisch. ,,Eerder zal het tegendeel het geval zijn. Een minderheid zal zichzelf verrijken, de kloof tussen arm en rijk zal nog groter worden en daarmee ook de maatschappelijke spanningen. Uiteindelijk zal de staat uiteenvallen, zoals Nigeria, zoals Ivoorkust.''
Een week later stuit ik in Nouakchott weer op de man met de puzzel. Hij is niet verder gekomen, integendeel. Hij heeft die paar stukken die in elkaar pasten, weer uit elkaar gehaald. ,,Ik dacht bij mezelf: laat ik nog maar eens van voren af aan beginnen'', zei hij treurig.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.