*

 

Vogels kijken in de koude polder

door Henk van Halm − 08/02/03, 00:00

Officieel is het niet eens zo koud, vijf graden, maar mijn handen, die de kijker omklemmen, worden langzamerhand blauw en de stevige noordwestenwind rukt aan mijn kleren. Luid klinkt het enerverende krijsen van stormmeeuwen, die samen met een paar honderd kokmeeuwen wormen zoeken op een weiland onder aan de ringdijk.

Met de kijker speur ik naar kokmeeuwen in zomerkleed, dus met een chocoladebruin masker, maar ze hebben allemaal nog een witte kop met een donkere vlek in de oorstreek.

Twee veel grotere vogels met opvallende witte vleugelvlekken vliegen door het beeld. Nijlganzen. Er grazen er minstens dertig verspreid op de weide ernaast. Af en toe wieken er een paar op, soms roepend met een hard eendachtig gekwaak. Oorspronkelijk uit tropisch Afrika hier rond 1975 ter 'verrijking' van onze vogelwereld geïntroduceerd hebben nijlganzen zich zo vermeerderd dat ze na het broedseizoen op veel plaatsen in ons land grote troepen vormen. Het broedsucces hebben ze vooral te danken aan hun onverdraagzaamheid jegens andere watervogels. Toch heb ik de indruk dat ze in troepen minder agressief zijn, want ik zag ooit in een nijlganzentroep grauwe ganzen die niet werden lastiggevallen.

Vooral in West-Nederland is de nijlgans inmiddels een algemene vogel. Net als de knobbelzwaan trouwens. Minstens vijftig knobbelzwanen grazen in een weiland in het midden van de polder dicht bij de wetering. Weinig, vergeleken bij de troepen van de vele honderden knobbelzwanen die in de Zeeuwse wateren overwinteren vanwege het schedefonteinkruid, waarvan ze de winterknolletjes eten. Vroeger werden de zwanen als halfwild huisdier bij boerderijen en in stadsparken gehouden. Toen zag je ze nooit in zulke aantallen bij elkaar. Toen de handel in zwanen in de jaren zestig nog maar weinig opbracht, werden de jongen niet meer geleewiekt en konden ze zich sterk in het buitengebied vermeerderen.

Bedreigde polder

We zijn in de Bovenkerkerpolder, groengebied tussen de grootstedelijke bebouwing van Amstelveen in het noorden en het verstedelijkte Uithoorn in het zuiden. Ten zuiden van de Nesserlaan een open polder met een verkavelingsstructuur uit de 18de eeuw, met wat geboomte bij verdwenen opstallen, erfbeplanting bij boerderijen, pestbosjes midden in het land en bomenrijen langs de lanen. Dat lijkt idyllisch, maar aan alle kanten wordt de blik begrensd door horizonvervuiling zoals stadsranden met hoogbouw.

Toch is dit open groen van groot belang voor de bewoners van de wijken in het noordelijke deel van de polder. Zij vinden er ruimte en rust als tegenwicht voor de drukte van alledag. Zij zien de toekomst van de in de Randstad schaars geworden open ruimte somber tegemoet. Ooit waren er gemeentelijke plannen om de polder vol te bouwen. Het is daarom niet zo vreemd dat de helft van de grond in handen is van projectontwikkelaars.

Nu spelen er andere zaken, waar je ook niet vrolijk van wordt. Om de woonkernen van Uithoorn en Aalsmeer leefbaarder te maken, wil men de drukste provinciale weg van Nederland, de N201, omleggen door het zuidelijke deel van de polder. Een flink gat in de financiering is onderwerp van touwtrekken tussen de gemeente Amstelveen en de provincie Noord-Holland.

In de concept-stroomgebiedvisie Amstelland wordt er rekening mee gehouden dat de polder in aanmerking komt voor piekberging. Dat is wellicht de beste optie voor het behoud van dit open gebied in de Randstad.

Winterse genietingen

Intussen valt er nog een hoop te genieten. De fluitende roep van smienten komt van ver. Ik denk van de wetering midden in de polder. Troepen van soms wel een honderdtal meerkoeten lopen pikkend rond in het grasland in het onverveende bovenland tussen ringdijk en Amstel, dat aanzienlijk hoger ligt dan de verveende polder. Wilde eenden drijven in de sloten of zoeken voedsel op de slootoevers. Het 'tsjirrup...' van trekkende veldleeuweriken en de plotseling oplaaiende drukte van huismussen bij een boerderij hoor je in de korte pauzes, die het vliegverkeer naar en van Schiphol je gunnen. Een pimpelmees zoekt insecten tegen een wilgenstam en regelmatig vliegen houtduiven over, meestal met twee tegelijk.

Eksters bouwden hun nest boven in een boom naast een boerderij aan de ringdijk bij Nes. In een andere boom, overgebleven van een oude boomgaard, zoals elke boerderij die vroeger bezat, zitten drie gaaien tegen elkaar druk te doen.

Twee zwarte kraaien wandelen schommelend rond op het talud van de ringdijk en pikken af en toe in het gras.

Oeroude kreekruggen

Kleine bruine vogels foerageren tussen de bleke stoppels op een maïsakker. Pas als ze de lucht in gaan, zie ik dat het ringmussen zijn. Ze komen waarschijnlijk uit noordelijker streken en overwinteren hier, want ringmussen zijn tegenwoordig zeldzaam in de omgeving van Amsterdam.

De maïsakkers in de Bovenkerkerpolder duiden kreekruggen aan, overblijfselen van ver voor onze jaartelling, toen Amstelland een kweldergebied was. De wadkreken werden door de zee langzaam opgevuld met zand en zeeklei, die minder inklonken dan het omringende veen en daardoor boven het maaiveld kwamen te liggen.

Het wordt nog kouder en ik ga naar huis. Ik verlang naar de lente, als de zwaluwen weer jagen boven de boerenslootjes, de kieviten buitelen boven de velden, de grutto's elkaar luid roepend hoog in de blauwe lucht achtervolgen en de graspiepers weer zingend hun baltsvluchten houden boven het gras. Als de wilde eenden weer op hun nest zitten tussen de brandnetels op de plek waar vroeger een watermolen gestaan moet hebben en de buizerds het vroegere watermolenbosje weer betrekken om er te nestelen. Zolang het nog kan...

mailIcon print |