*

 

Ik ben vaak veel te streng geweest

Peter Henk Steenhuis − 04/01/03, 00:00

In de interviewserie 'Zelfkritiek' zoekt Trouw bij romanciers, beeldend kunstenaars, dansers, dichters en fotografen naar de kunst der zelfbespiegeling. Vandaag: dirigent Reinbert de Leeuw, leider van het Schönberg Ensemble.

,,Ik was een jochie van een jaar of zeven, acht toen ik mijn eerste composities schreef. Telkens als ik een paar noten achter elkaar had gezet, raakte ik in een euforische toestand: dat ík dit gemaakt had. Het was onmogelijk dat iemand anders zoiets zou kunnen bedenken. Maar naarmate ik meer ingevoerd raakte in de muziekgeschiedenis, werd die gedachte zeldzamer. En het componeren lastiger. Ik liet me intimideren door al die meesterwerken uit al die eeuwen. Op een gegeven moment accepteerde ik dat mijn werk niet sterk genoeg, mijn stem niet eigen genoeg was. Ik legde me toe op het uitvoeren van muziek, en het dirigeren.''

,,Als dirigent ben ik minder makkelijk te intimideren. Natuurlijk was ik aanvankelijk onzeker: toen ik voor de eerste keer op een podium stond, was ik verlamd van angst. Pure angst. Zou iemand me toen bekritiseerd hebben, gezegd hebben dat bijvoorbeeld mijn opmaten niet goed waren, dan zou ik ogenblikkelijk van mijn onkunde overtuigd zijn geweest. Dat heeft niets met zelfkritiek te maken, dat is zelfdestructie.''

,,Zelfkritiek is pas vruchtbaar als je niet meer zo vreselijk onzeker bent, als je een klein beetje het gevoel krijgt iets te kunnen. Dat gevoel heb ik gekregen, na verloop van tijd dacht ik: dit is wat ik kan, ik kan me hooguit nog iets beter voorbereiden, maar meer kan ik niet, als dat niet genoeg is, moet er maar een ander komen. Die ander heeft er gelukkig nooit hoeven komen. Zo groeide mijn zelfvertrouwen, en met het zelfvertrouwen mijn vermogen tot zelfkritiek. Dat was een essentiële ontwikkeling in mijn carrière als dirigent, want alleen wie zelfkritisch is, is in staat kritiek van anderen op waarde te schatten.''

,,Veel dirigenten vinden het verschrikkelijk als de componist een repetitie bijwoont. Ze verbieden het zelfs vaak, omdat ze bang zijn voor schut te staan als ze gecorrigeerd worden. Ik heb het altijd fantastisch gevonden met componisten te werken die me uitleggen hoe het moet. Wij zijn de dienaren van de muziek, ik zie het dan ook als een van mijn belangrijkste doelen de componist gelukkig te maken.''

,,Of dat lukt hangt van de componist af, en van de muziek. Je hebt componisten die zeer precies zijn in hun notatie, zij schrijven alles op, laten niets over aan het toeval. Uit die notaties spreekt een wantrouwen tegen uitvoerende musici. Met die componisten bespreek ik vooral technische kwesties: welke passage moet sneller, welke noot moet scherper gearticuleerd.''

,,Er zijn ook componisten die veel meer ruimte laten aan de uitvoerder. Kurtág bijvoorbeeld. Het lukt hem slechts deels op te schrijven wat hij wil uitdrukken. Het resterende gedeelte moet tijdens repetities tot stand komen. Stel je voor: ik sta voor het orkest, Kurtág zit in de zaal. En ik weet niet precies wat hij wil. Ik probeer wat: is dit wat, of dit? 'Nein, nein,' klinkt het dan ineens van achteren. Och hemel, denk ik, mis, helemaal mis.''

,,Zeker bij Kurtág is de kans groot dat je het verkeerd doet. Want zijn notatie mag niet uitputtend zijn, zijn opvattingen hoe het werk moet worden uitgevoerd zijn wel precies. Of, anders gezegd: in de partituur staat hooguit zestig procent van de muziek, maar Kurtág wil 120 procent horen. Het verschil brengt hij tijdens repetities over. Dat gebeurt zeer intens, het komt voor dat musici de zaal huilend verlaten.''

,,De eerste keren dat ik met hem werkte, was ik lichtelijk geïntimideerd. Maar opnieuw de gedachte: als het niet goed is, moet er maar een ander komen. Kurtág vroeg niet om een ander. Naarmate ik zijn muziektaal beter leerde kennen, werd het makkelijker. Bovendien heb ik eindeloos veel aantekeningen gemaakt, van de expressie op zijn gezicht tot de manier waarop hij noten voorzong.''

,,Aantekeningen zijn trouwens lang niet altijd vruchtbaar. Zeker als je een nieuw werk uitvoert, is het gevaar groot dat je er te veel betekenis aan toekent. Dat zie ik aan partituren van vroeger, stukken waarvan ik weet dat ik er eindeloos mee heb geworsteld. De eerste keer dat ik de 'Serenade' van Schönberg deed -och, ik herinner me nog precies hoe we het stuk noot voor noot hebben veroverd. Die worsteling lees je af aan de partituur: dáár opmerkingen, dáár aanmerkingen, dáár strepen. Niet zo zeer onjuiste strepen, maar overbodige strepen, alsof ik de partituur niet kon lezen zonder al die aanwijzingen.''

,,Schönberg is ook moeilijk, zijn muziek is gecondenseerd, hij stopt elk fragment vol muzikale informatie. Maar als ik nu de partituur opsla, zie ik dat de muziek glashelder is. Er staat geen maat in die me verbaast, ik hoef me geen één keer af te vragen hoe ik van het ene deel bij het andere kom. Dat is het meest merkwaardige: ik kan me niet meer voorstellen dat ik het stuk destijds onmogelijk te spelen vond. Ik herinner me hoe stroef het ging, hoe krampachtig die eerste uitvoeringen waren, terwijl de 'Serenade' lichtvoetigheid eist.''

,,Hoewel ik dus veel samenwerk met de componist en daar ook veel over opschrijf, wil ik niet beweren dat de componist altíjd gelijk heeft. Soms moet je een stuk zelfs verdedigen tegen zijn maker. Ook dat heeft met zelfkritiek te maken. Ik probeer me kwetsbaar op te stellen; de kritiek van de makers moet mijn eigen opvattingen kunnen corrigeren. Maar als ik van mijn gelijk overtuigd ben, moet ik die kritiek pareren. Dat gebeurde me onlangs met Ligeti, wiens werk we met het Schönberg Ensemble nu integraal aan het opnemen zijn.''

,,Ligeti staat bekend als notoir lastig en -net als Kurtág- zeer expressief. Hij levert constant kritiek, het maakt niet uit of het de uitvoering betreft of zijn werk zelf. Vorig jaar namen we 'Clocks and Clouds' op dat hij dertig jaar geleden schreef, maar omdat hij zich veel verder ontwikkeld heeft, neemt hij dat werk nauwelijks meer serieus. Toen we in de opnamekamer zaten, vroeg hij ineens: 'Begrijp jij nou dat ik dit geschreven heb? Het is pure kitsch.' Ik was het gelukkig totaal niet met hem eens, ik vind het nog steeds schitterend.''

,,Er zijn stukken die ik nooit zal beheersen. Niet omdat ze technisch zo moeilijk zijn, maar omdat ik niet in de componist geloof. Ik probeer te vermijden muziek uit te voeren waarmee ik geen affiniteit heb. Een enkele keer lukt dat niet. In Amerika kon ik er onlangs niet onder uit een stuk te dirigeren van Christopher Rouse, rare, op-de-borst-klopperige muziek. Ik lijd onder zo'n uitvoering, heb er de pest in het er niet goed van af te brengen. Ik heb wel mijn best gedaan, mijn uiterste best, het stuk werd bijna een obsessie voor me. Vergelijk het met acteurs: sommigen zetten zonder problemen elk gewenste type neer, anderen kunnen alleen personages spelen met wie ze zich verwant voelen. Ik behoor tot de tweede soort, ik kan alleen werk uitvoeren van componisten wier taal ik spreek.''

,,Dirigeren is communiceren, met de musici en met het publiek. Dirigeren is het overwinnen van angst, maar ook van gêne. De Franse componist Messiaen maakt in zijn muziek grote gebaren, er spreekt een enorm pathos uit zijn taal. Ik heb er geen enkele moeite mee die over te brengen, niet op de uitvoerenden maar ook niet op de luisteraars. Maar als het pathos mij vals voorkomt, voel ik me geremd. En musici merken of je eerlijk bent. Zo niet, dan boet de muziek aan overtuigingskracht in.''

,,Er zijn nogal wat dirigenten die een show maken van hun optreden. Halve danspasjes, gebaren die duidelijk zijn ingestudeerd voor de spiegel, alsof ze proberen te mimen wat ze uitvoeren. Onzinnig gedoe. Een dirigent hoort met zijn musici te communiceren, ze op één lijn te krijgen, te inspireren, te helpen bij moeilijke passages.''

,,De relatie tussen dirigent en orkest is sowieso enigszins problematisch. Je moet proberen te vermijden dat er een leraar-leerling verhouding ontstaat. Daar hebben musici uiteraard een bloedhekel aan, het zijn volwassen professionals die je niet in de schoolbanken moet zetten.''

,,Ik zou het niet kunnen, zo opgaan in een orkest. Denk je in: een musicus is ooit op zesjarige leeftijd begonnen met een visioen hoe zijn muziek zal klinken. Van dat visioen is meestal bar weinig overgebleven, hij moet al verschrikkelijk goed zijn, wil hij in een orkest kunnen spelen. En dan moet je spelen wat je niet hebt uitgekozen. En dan staat er voor je iemand -precies, die je niet hebt uitgekozen. De kans is groot dat hij ook nog eens afwijkende opvattingen heeft over de muziek. In mijn ensemble praten we over zulke verschillende visies, in een orkest gaat dat niet, je kunt moeilijk met honderd man een uitvoering onder de loep nemen.''

,,Ik ben lang aan het conservatorium verbonden geweest, het doceren zal ik wel niet meer kwijtraken. Maar als ik mezelf soms terughoor, terugzie vooral -dat toontje, verschrikkelijk, daar erger ik me aan, ik ben vaak veel te streng geweest. Dat moet met onzekerheid te maken hebben gehad, waarschijnlijk was ik niet overtuigd van wat ik deed. Van dat toontje heb ik spijt. Het is in de loop van de jaren wel minder betweterig geworden, vooral omdat leden van mijn eigen ensemble mij erover hebben aangesproken. Ach ja, het is een karakterkwestie, ik ben een leraartype, ik leg graag uit. En ik ben en blijf licht ontvlambaar.''

,,Het is ook onproductief om de verhouding met de musici te verzieken, en dus onprofessioneel. Terwijl je samen bergen kunt verzetten. Met het Radio Philharmonisch Orkest heb ik in 2000 de opera van Messiaen gedaan. Een immens stuk, alleen de partituur bestaat al uit acht boeken die samen twintig kilo wegen. Het stuk duurt vier uur, je werkt met solisten, een orkest van 120 en een koor van 150 man. Wil je zo'n uitvoering tot een goed einde brengen dan moet je productief werken, vooral omdat we maar twee weken repetitietijd hadden, wat voor dit stuk zeer weinig is.''

,,In die weken ontstond er een zeldzame chemie tussen orkest en dirigent. Ik hoefde niemand tot de orde te roepen, nooit te bedelen om aandacht. Integendeel, het kwam voor dat de houtblazers, die een groot aandeel in de opera hebben, na afloop van de repetitie bleven zitten om nog even de voor Messiaen kenmerkende vogelgeluiden door te nemen. Als ik 's ochtends om half tien begon, zaten her en der al groepjes te oefenen. Ik ben van hen afhankelijk, als zij meewerken voel ik me veilig. Dan maak ik ook minder fouten; bij die opera heb ik bijna geen vergissing begaan.''

,,Je zou zeggen: zo'n uitvoering moet je vertrouwen geven: als je die opera aankunt, dan ... - zo werkt het niet. Bij elk nieuw stuk dat ik instudeer, slaat de onzekerheid weer toe. En als het dan niet in één keer goed gaat, denk ik dat het hopeloos is, dat we het nooit kunnen uitvoeren. Onzin. Het is volkomen idioot te denken dat een eerste repetitie vlekkeloos moet zijn. Toch kom ik verslagen thuis, blijf de rest van de dag piekeren over wat er verkeerd ging, wat ik verkeerd heb gedaan, waar dat toontje er weer in sloop.''

,,Er is geen repetitie af. Sterker nog: er is geen uitvoering af. Een enkele keer komen we allemaal met glanzende ogen van het podium. Dan denk ik: we zijn er vanavond dicht bij geweest. Ook als pianist heb ik weinig herinneringen aan foutloze uitvoeringen. Er staat me wel een aantal avonden in Carré bij, toen ik samen met de danseres Ellen Edinoff een voorstelling had op muziek van Satie. Elke avond dezelfde angst: één piano, één danseres en dan die trage, breekbare muziek van Satie in een bomvol Carré. Twee kuchjes en alles is kapot. Maar Edinoff hield het publiek gevangen. En ze deed bijna niets, in twintig minuten bewoog zij van de rand van de piste naar het podium. Ademloos volgde men haar bewegingen. Op een avond ging het regenen, je kon echt elke druppel op het dak horen, terwijl je op een regenachtige doordeweekse dag de regen in Carré nauwelijks hoort. Dat waren magische avonden, waarop een stilte te beluisteren was die oneindig veel stiller was dan stilte.''

,,Vorig jaar ben ik weer begonnen met piano spelen, alleen oude stukken. Jarenlang heb ik het proberen te combineren, maar op den duur was het niet vol te houden overdag met mijn ensemble of met een orkest te repeteren, en dan 's avonds naar huis te rennen om nog een paar uur te kunnen spelen. Hoe weinig je als pianist ook optreedt, je moet wel elke dag oefenen, anders worden je vingers stram, lukt het je niet meer een mooie toon te maken. Dat is voor een dirigent anders: drie, vier weken voor een uitvoering begin ik de partituur te lezen, te kijken wat ik vroeger heb opgeschreven.''

,,Ik miste vooral het samenspel met Vera Beths, een violiste met wie ik sinds de jaren zeventig veel heb opgetreden. Net zoals het mij met dirigeren verging, merk ik ook met pianospelen dat veel stukken nu vanzelfsprekender klinken dan vroeger. Zonder dat we de stukken gespeeld hebben, zijn we gegroeid. We repeteren nu Janácek, en ik denk dat we hem nu meer recht doen dan vijftien jaar geleden.''

,,De afgelopen vier maanden heb ik zelfs ook weer gecomponeerd. Geen werk dat ik in mijn visioenen voor me zag, eerder een bewerking. Ik heb een stuk geschreven dat gebaseerd is op liederen van Schubert en Schumann. Het was vreemd om te doen, ik kan nu nauwelijks meer geloven dat ik het gemaakt heb. Alsof het er al was, alsof ik het gevonden en even opgeschreven heb. Het was prettig te merken dat ik nu niet meer geïntimideerd raakte, ik heb juist gebruik kunnen maken van die overweldigende muziekgeschiedenis.''

mailIcon print |