Brengt een nieuw kunstjaar andere accenten, nieuwe ideeën, eigenwijze invalshoeken? Voor een deel zal 2003 een gezicht krijgen door zaken en personen die - al dan niet postuum - bijzondere aandacht verdienen, vanwege een jubileum of anderszins. Trouw licht alvast een paar van die gebeurtenissen en jubilarissen uit. Vandaag: De 50ste sterfdag van Sergej Prokofjev
Als je de website van de uitgever van Sergej Prokofjev (1891-1953) bezoekt, zie je dat er in het herdenkingsjaar 2003 nu al wereldwijd een kleine 500 uitvoeringen met zijn muziek gepland staan. Ook in het Rotterdamse Gergjev Festival staat dit jaar geheel in het teken van de Russische componist. Prokofjev is na zijn dood niet alleen beroemder dan ooit, zijn terukeer naar Rusland blijft een raadsel voor biografen.
Waarom keerde de in het westen zo succesvolle Russische componist Sergei Prokofjev in 1934 definitief terug naar zijn vaderland? In 1918, vlak na de Russische Revolutie, was hij tenslotte juist de kersverse Sovjet-Unie ontvlucht om een nieuw leven op te bouwen in Parijs. Een politiek onbenul was Prokofjev niet. Hij wist drommels goed wat er in zijn land aan de hand was nadat Lenin de macht had overgenomen. Sterker nog: toen de kogels hem om de oren floten componeerde Prokofjev 'Seven, they are seven' (1917-18), een anti-bolsjewistische cantate die hem (zonder dat hij dat zef aanvankelijk wist) bij de apparatsjiks tot 'vijand van de Sovetcultuur' katapulteerde.
Via de Verenigde Staten kwam Prokofjev in Parijs terecht, waar hij in de twintiger jaren een gevierd componist werd. En waar hij bleef, zelfs nog vier jaar na zijn 'terugkeer' naar de Sovjet-Unie in 1932.
Tijdens zijn bezoeken aan zijn vaderland, die al vanaf de tweede helft jaren twintig plaatsvonden, profiteerde Prokofjev nog van de links-avantgardistische statuur die hij in het westen genoot. Zijn opera 'The Love for Three Oranges' werd er in 1926 met gejuich ontvangen, en ook Prokofjev zelf gaf er blijk van dat hij zijn vaderland (,,De lucht! De grond!') had gemist. Als hij in Moskou was, logeerde hij als een toerist in Hotel National. Zijn vrouw Lina bleef steeds thuis in Parijs, samen met hun zonen Svjatoslav en Oleg. Op dit punt hebben Prokofjevs biografen zich vaak afgevraagd wat zou een beroemde componist van in de veertig moet hebben bezield om alles op te geven voor een ongewisse toekomst in de Sovjet-Unie? Prokofjevs eigen antwoord op deze vraag is even naïef als ontluisterend: ,,Telkens als ik hier een werk uitgevoerd wil hebben, moet ik door het stof voor uitgevers, managers, comités, productiesponsoren, kunstpatronessen en dirigenten. Dat hoeft een componist allemaal niet te doen in Rusland. En wat de 'politiek' betreft: die gaat me niet aan. Dat zijn mijn zaken niet.'
Terwijl in de nasleep van de moord op Stalins politieke tegenstanders de partij vanaf 1935 bij elkaar kwam om de gevaren van 'elitaire culturele uitingen' te bespreken, genoot Prokofjev van een onbekommerde zomer: zijn laatste in het westen. Behalve het ballet 'Romeo en Julia' componeerde hij ook zijn Tweede vioolconcert. Niet wetend wat hem boven het hoofd hing, vertrok hij zes maanden later naar Moskou, waar zijn gezin zich al snel bij hem voegde.
Dit keer waren de autoriteiten minder coulant. Prokofjevs privileges werden ingetrokken. Zelf had hij zijn terugkeer naar het westen onmogelijk gemaakt door publieke pro-Sovjetuitingen. En niet in de laatste plaats door de gigantische gokschulden die hij in Parijs had opgebouwd. Zijn paspoort werd hem afgenomen, hij was een gevangene in eigen land.
Het werd hem moeilijk gemaakt aan opdrachten te komen. Hoewel het ongevaarlijke 'Peter en de wolf' een grote hit werd, annuleerde het Bolshoi-theater de productie van 'Romeo en Julia' om onbekende redenen. Ook zijn cantate voor de 20ste herdenking van de Oktoberrevolutie viel, geheel tegen verwachting, niet in goede aarde. Marx en Lenin opvoeren als personages was 'vulgair' volgens de autoriteiten.
Prokofjev werd een pion in een machtsspel. Hij werd twee maal op propagandareis gestuurd waar hij volgens oogetuigen de indruk maakte van een 'vreselijk diep onzekere' man. Zijn geluk keerde toen hij samen met de filmer Sergej Eisenstein (ook een remigrant) kon werken aan muziek bij 'Alexander Nevsky', die hij later tot cantate bewerkte.
Stalins opportunistisch-veranderlijke politieke standpunten zorgden in de jaren veertig meer dan eens voor de ongenade die Porkofjev ten deel viel. De componist had nog een korte opleving met de Zesde symfonie, die bij de première in 1947 een ovatie van een half uur kreeg. Maar daarna ging het snel begafwaarts. Zjdanov, minister van cultuur, deed in 1948 al Porkofjevs vroege muziek in de ban: die was immers geschreven door een bourgeois. Toen Eisenstein stierf, Prokofjevs (inmiddels ex-)vrouw Lina werd gedeporteerd en hij langzamerhand persona non grata werd, brak hij ten slotte en werd ernstig ziek. In de laatste periode van zijn leven werd hij mentaal en financieel geholpen door cellist Mstislav Rostropovitsj en door zijn vrouw Mira Mendelson. ,,Mijn ziel doet pijn', moet hij in de nadagen van zijn bestaan herhaaldelijk tegen Mira hebben gefluisterd. Sarcastisch genoeg stierf Prokofjev op 5 maart 1953, 55 minuten eerder dan Jozef Stalin.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.