In het voorjaar wordt de Westerscheldetunnel geopend. Na een dienstregeling van 175 jaar verdwijnen de veerboten over de Westerschelde. Alleen een bescheiden veer voor voetgangers en fietsers blijft Walcheren met Zeeuwsch-Vlaanderen verbinden. Herdoopt zal de Zeeuwse prinsessenvloot zijn weg moeten zoeken op een andere wereldrivier.
Hij is bij de ingang wezen kijken en constateerde dat de tunnelbouwers 'een machtig kunstwerk' hebben verricht. Maar Zeeland zonder veerboten over de Schelde noemt hij geen Zeeland meer.
Kapitein Wim Leijs voer 37 jaar op de Schelde, en 37 jaar al roept hij tegen ambtelijke vastelanders: Blijf van de Schelde af!
Alleen al dat permanente gebagger. ,,Almaar dieper baggeren: straks is de Schelde plaatselijk dieper dan de Noordzee.''
Als man van het water heeft Leijs het allerminst op ambtenaren en hun geldverslindende papiermolens begrepen. Als varend ambtenaar in dienst van de provincie Zeeland was hij zelf derhalve 37 jaar ambtenaar-met-tegenzin. Maar hij genoot als veerbootkapitein.
Als jongen al wilde Leijs varen. Niet op de grote vaart, maar dichtbij huis: op de Schelde. Met zijn verlangen hoefde hij niet bij zijn ouders aan te komen. Die ,,eenvoudige boerenmensen'' beschouwden zeelui als uitschot dat louter belangstelling had voor vrouwen en drank. Hij werkte als molenaar, ging in militaire dienst en kwam op zijn 23ste, toen hij geen ouderlijke toestemming meer nodig had, alsnog in dienst bij de Provinciale Stoomboot Dienst (PSD), als matroos op het Scheldeveer Kruiningen-Perkpolder. In Yerseke volgde hij 's avonds de binnenvaartschool, en klom op tot stuurman-aflosser, wat later dienstdoend-stuurman zou heten, op het veer Terneuzen-Hoedekenskerke.
Op dit bescheiden pontje betekende laden en lossen steeds opnieuw puzzelen: de maximaal 22 auto's moesten over drie planken via de scheepsflank het achterdek op worden gemanoeuvreerd.
In 1972 gingen de twee veerboten van Terneuzen-Hoedekenskerke uit de vaart wegens de oversteek van ruim een uur en lange wachttijden. Ms 'Willem I' kwam als restaurantschip in Amsterdam terecht, de 'Emma' belandde als 'Estella' in Scheveningen om met sportvissers rond te varen.
Toen al spraken de Zeeuwen over een brugtunnel als vaste oeververbinding ter hoogte van Kruiningen. Leijs begreep dat zijn nautische toekomst niet bij Kruiningen-Perkpolder lag, maar westelijk; bij Vlissingen-Breskens. Als kapitein en kapitein-mentor voer hij eerst op de enkeldekkers van de zogeheten prinsessenvloot.
Door de gebogen vorm van de zeeg liggen deze veerboten stevig en sierlijk in de Schelde. In de salons, waar het 's winters naar verse snert ruikt, sieren foto's van de prinses, prins of koningin naar wie het schip gedoopt is. De relingen van de enkeldekkers bestonden uit glanzend teakhout, de dekken niet uit de huidige staalplaten maar uit blanke planken.
Ms 'Prinses Irene' werd aan Malta verkocht, waar het tussen Sicilië en Malta als loveboat dienst deed, totdat Malta het schip doorverkocht aan Indonesië. China kocht de 'Prinses Margriet' en de 'Prinses Beatrix'. De ramen en rijdekdeuren van beide veren werden dichtgelast, waarop de schepen op eigen kracht naar China voeren, waar ze nog steeds als veer in de vaart zijn.
Nu varen er nog vijf dubbeldekkers, op Vlissingen-Breskens (de 'Koningin Beatrix' en de 'Prins Johan Friso') en op Kruiningen-Perkpolder (de 'Prinses Juliana', de 'Prinses Christina' en de 'Prins Willem-Alexander').
Twee dubbeldekkers hebben geen roer, wel elk vier schroeven, waarmee het schip ook stuurt. Hoe groter en vooral hoe hoger een veerboot, hoe onstabieler die wordt. Kapitein Leijs: ,,Een vrachtwagen geladen met zand ligt goed op de weg. Een vrachtwagen met hooi heeft eerder de neiging tot kantelen. In tegenstelling tot vrachtschepen worden veerboten boven de de waterlijn geladen. Naarmate een veerboot meer lading heeft, wordt het richtinggevend vermogen minder. De dubbeldekkers liggen 4,5 meter onder en veertien meter boven water. Daarmee zijn het enorme windvangers.''
Net als andere kapiteins moet een Scheldekapitein alle vaartuigen om zich heen in de gaten houden. Maar op Vlissingen-Breskens komen daar nog eens de onophoudelijke loodswisselingen van rivierloodsen en zeeloodsen bij. ,,Op de Westerschelde komt alles op je af. Het is uniek dat de scheepvaart hier zo dicht onder de wal vaart. Als veerboot heb je nooit voorrang omdat je altijd dwars de rivier overgaat. En zestig procent van de passerende schepen hebben gevaarlijke stoffen aan boord.''
Leijs vindt het gewissel van rivier- en zeeloodsen op de rede van Vlissingen even bespottelijk als gevaarlijk. ,,Voor een loodswissel moeten die grote schepen afremmen en opstarten. Moet je zien wat er dan elke keer uit de schoorsteen komt: enorme wolken olie, die niet ontzwaveld is. Veel logischer is het wanneer één loods vanaf zee het schip tot in Antwerpen brengt.''
Ook na de opening van de Westerscheldetunnel blijven de dubbeldekkers nog een tijd varen. Leijs probeert zijn verbijstering niet eens te verbergen: ,,De kiel van de kleine veerboten 'Willem-Alexander' en 'Máxima' die straks alleen voetgangers en fietsers tussen Vlissingen en Bresjes mogen vervoeren, is nog maar net gelegd. Die zijn nog lang niet klaar als de tunnel open gaat. Dus moeten de dubbeldekkers, die tweehonderd voertuigen en duizend passagiers kunnen laden, voor zes voetgangers en twee fietsers heen en weer varen. Met volledige bemanning!''
Maar ook de vijf dubbeldekkers gaan uit de vaart. Op het net (www.ferriesforsale.com) staan ze al te koop aangeboden.
Hans Warren laat in zijn gedicht 'Vlissingen, middernacht' het veer 'over een koningsblauw tapijt van golfgeruis' nader glijden. Herdoopt zal de Scheldevloot zijn dwarse weg in een andere wereldrivier zoeken. Met, wie weet, nog prinselijke en prinsesselijke portretten in de scheepssalon.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.