Aanvankelijk zag hoogspringer Wilbert Pennings (27) het curieuze van de combinatie sporten en studeren niet in. Hij trachtte zelfs via een sponsor overeenkomst met de Technische Universiteit Delft de sport met zijn studie lucht- en ruimtevaarttechniek te verbinden. Eenmaal begonnen bleek het toch niet allemaal even makkelijk te gaan. Desondanks steeg hij in zijn studietijd als hoogspringer van 2.15 naar 2.30 meter en leverde het afstuderen een 8 op.
Hoe technisch de atletiekdiscipline van hoogspringer Wilbert Pennings uit Tilburg ook zijn mag, een relatie met zijn studiekeuze lucht- en ruimtevaarttechniek is er niet. Net zomin als die bij collega Simon Vroemen bestaat tussen diens hindernislopen en het onderzoek dat hij verrichtte naar de energiehuishouding van sprinkhanen.
Zoals bij velen berust de sportkeuze van Pennings op toeval: hij volgde een vriendje naar de atletiekclub. Dat hij daar uiteindelijk het luchtruim koos, wekt gezien zijn lange (1.92 meter), magere postuur geen bevreemding. De andere belangstelling voor vliegen was al vroeger gewekt, dankzij zijn vader die in de luchtvaart werkte.
Pennings is nu luitenant bij de luchtmacht. ,,Ik heb geluk gehad met mijn huidige betrekking. Toen ik mijn sport combineerde met studie, dacht ik: wat een ellende waarin je zit. Er wordt zelden rekening met je gehouden. Nu denk ik: vind maar eens een geschikte baan waar ze rekening met je sport houden.''
,,Bepaalde dingen waren in de studieperiode redelijk geregeld, maar de combinatie heb ik altijd als niet ideaal ervaren. Omdat ik van nature een perfectionist ben, overheerste het onbevredigende gevoel dat ik beide maar voor vijftig procent deed. Toch is het met dat schipperen aardig gelukt.''
Pennings wilde zijn studie aan de TU Delft zo snel mogelijk doorlopen daar hij in de komende tijd zijn beste jaren als hoogspringer hoopt te hebben. Na vijfenhalf jaar was hij eind 2001 met afstudeercijfer 8 klaar met de door hem als zwaar aangemerkte (,,topdrie van Nederland'') studie lucht- en ruimtevaarttechniek. Tijdens die periode bracht de Tilburger het Nederlands record hoogspringen op 2.30 meter en werd hij in 1999 tiende tijdens de wereldkampioenschappen in Sevilla.
,,Sport heeft altijd op de eerste plaats gestaan. Hoe verder ik in de studie kwam, hoe moeilijker het werd omdat je als sporter ook naar een hoger niveau groeit. In het afstudeerjaar was de combinatie bijna onmogelijk te doen, het was wat dat betreft mazzel bij een ongeluk dat ik toen een enkeloperatie moest ondergaan. Studeren gaat me makkelijk af. Vaak kon ik colleges laten voor wat ze waren omdat ik het vak zelf wel uit boeken kon leren.''
Pennings schat dat hij voor atletiek wekelijks gemiddeld veertig uur kwijt is aan spring- en krachttraining, reizen en fysiotherapie. De vier jaarlijkse studieperiodes van negen weken deelde hij globaal in in delen van wisselende intensiteit. ,,Twee weken voor een tentamen was het blokken, dat ging ten koste van de sport. Daarna gingen vijf weken lang de vingers in de neus, waarna het inlezen begon voor de nieuwe tentamenperiode. Dan was er tijd voor sport.''
,,Wel waren de dagen altijd volgepland. Vanaf een uur of negen colleges volgen en studeren tot vijf uur. Dan eten, met de trein naar de training en om tien uur kwam je doodmoe terug. Om acht uur de volgende dag ging de wekker weer. Van het studentenleven heb ik niet veel meegekregen. Als ik naar bed ging begonnen studiegenoten aan het eerste krat bier.''
Tijdens trainingsstages en wedstrijden in het buitenland was Pennings afhankelijk van anderen. ,,Voor afwezigheid was ik aangewezen op de goodwill van professoren. Ik moest wel eens tentamens verschuiven of op een andere tijd mondeling doen. Dat was voor het merendeel geen probleem. Moeilijker was het met practica met andere studenten. Die waren er niet altijd gelukkig mee dat ze het soms met eentje minder moesten doen. Maar over het algemeen werd dat positief ontvangen. Ik ben wel gematst, ik kreeg meer medewerking dan de doorsneestudent.''
In 2000 kreeg hij van de TU Delft zelfs een sportbeurs, zodat hij zich zonder studietijd te verliezen dat jaar geheel op de voorbereiding van de Olympische Spelen kon concentreren. De Tilburger heeft ook getracht de reclame die hij als toen sponsorloze hoogspringer voor de TU maakte, te gelde te maken. Maar tevergeefs. ,,The sky is the limit, was het motto van de studie. Dat leek me mooi bij mij aansluiten.'' Helaas had de universiteit geen interesse.
,,Voor mijn studie was het feit dat ik topsporter ben een groot voordeel. Topsporters hebben over het algemeen een grote zelfdiscipline en kunnen hun leven goed organiseren. Je hebt met veel dingen te maken: financiƫn, sponsors, publiciteit, reizen, trainingen en trainers, huisvesting, werk, verantwoorde voeding, lichamelijke verzorging en daarbij je studie. Je probeert alles zo goed mogelijk te regelen, zodat je zo min mogelijk zorgen aan je kop hebt om goed te kunnen sporten. Aan de andere kant leerde studeren me gestructureerd denken, dat nam ik weer mee naar de sport.''
De huidige luitenant - ,,daar kan ik voortborduren op mijn studie'' - zegt bij tentamens nooit last te hebben gehad van zenuwen. ,,De druk en stress die je als sporter ervaart zijn soms zo enorm, die zal ik in het dagelijks leven niet tegenkomen. Om tentamens kon ik me niet al te druk maken, daar kwam ik altijd redelijk ontspannen doorheen.''
De egocentrische topsportmentaliteit botste wel eens met opvattingen van anderen. ,,Ik kan best sociaal zijn als ik dat wil'', zegt Pennings met een grijns. ,,Ik ben geneigd in weinig tijd veel te doen en heb een hoog verwachtingspatroon van mezelf. Als je dat ook van anderen hebt, stoot je wel eens mensen tegen het hoofd. Ik kan me voorstellen dat ik wel eens bot ben overgekomen.''
,,Ook ergerde ik me regelmatig. Soms was bijvoorbeeld niet duidelijk wanneer precies een practicum werd afgesloten. Dan kon ik mijn trainingen niet plannen. Het leven van een topsporter is strak geregeld, het is haast een automatisme. Dan stoort het als in de studie zaken niet duidelijk zijn.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.