Wat de sociale wetenschappen kunnen zeggen over het dagelijks samenleven. Aflevering 4: Boulevard of broken dreams.
Als je van de rafelrand van het centrum de buitenwijk inrijdt, ziet hij er aardiger uit dan wanneer je hem vanuit de groene polder benadert. Zo is hij ook gepland, vanuit een stads perspectief. Flats die scheef het water in lopen, een ronde school met een grasperk op haar dak, sprietige boompjes in straten die naar Zuid-Afrikaanse en Indonesische vrijheidsstrijders zijn vernoemd. De straten zijn leeg, tot om twaalf uur de moeders samendrommen voor het hek van de school, de witte moeders in het midden, de allochtone op de flanken. Net als in de binnenstad. Ook net als in de binnenstad zijn de abri's stuk, en het valt in deze overzichtelijke straten meer op dan daar. De onttakelde frames vertonen een vreemde gelijkenis met de gesubsidieerde buisconstructie die in de vers gegraven gracht drijft. De gracht is zelf weer een herinnering aan de sloten en vaarten die hier vroeger waren.
De buitenwijk met zijn nadrukkelijke architectuur en zijn onbeholpen stukjes natuur wil het beste van twee werelden, en dat noemen de Amsterdamse sociologen Rob van Ginkel, Léon Deben en Tineke Lupi 'suburbane dromen' (Sociologische Gids, no. 3, 2002). Het begrip suburb, van Engelse origine, heeft zich in Amerika ontwikkeld van voorstad tot buitenwijk. Dat laatste met een idyllische inslag: 'Het is het ideaal van wonen buiten de grote stad in een omgeving die wordt voorgesteld als vrij, ruim, schoon, groen, natuurlijk en rustig, maar zonder de restricties van het dorpsleven'. De schrijvers zeggen dit naar aanleiding van een wijk in Zoetermeer waar zij onderzoek deden, maar aan de Haarlemse Zuiderpolderwijk die ik op het oog heb zijn die goede bedoelingen ook af te lezen.
De gemolesteerde bushaltes verraden ook het gevaar dat de inwoners die de binnenstad zijn ontvlucht steeds weer bedreigt: de stad haalt ze weer in, met het vuil, het lawaai en de misdaad. Van alle problemen waarover de uitwijkelingen in Zoetermeer klagen, waar de nieuwbouw al zo'n vijftien jaar oud is, komen de hangjongeren het vaakst terug. Zullen de kinderen die nu in Zuiderpolder nog zo zoet met hun tekeningen naar hun moeders zwaaien, zich over tien jaar ook te pletter vervelen in de suburbane droom? De sociologen geloven niet dat de hardnekkige klachten een gevolg zijn van te weinig voorzieningen voor jongeren, maar van de 'extreme gevoeligheid voor elke verstoring van de rust en orde waarvoor de bewoners naar Suburbia zijn gekomen'.
'De voorstad groeit' schreef Louis Paul Boon in 1943, en het boek ging over de voortschrijdende proletarisering van de stad. Maar de buitenwijken die nu verrijzen, woekeren niet noodlottig rond de stadskern, maar zijn zorgvuldig gepland, en voor veel mensen nu net een stap uit de verloedering. Als die wens gefnuikt wordt, springen mensen uit hun vel, ook al is de voornaamste oorzaak het steeds weer lastige grootgroeien van de kinderen. Die kloof tussen droom en daad is niemands aanwijsbare schuld, maar bezorgt mensen een koude douche als zij zich eindelijk op het droge wanen. Gevolg kan zijn een boze wrok die in de sociologie de 'revolutie van stijgende verwachtingen' heet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.