*

 

En hij was bij de wilde dieren

door Theo de Boer − 27/12/03, 00:00

Filosoof Theo de Boer over het gedicht 'In the wilderness' van de Engelse historicus en dichter Robert Graves. 'Alle dieren zijn katholieke dieren, alleen zijn sommige dieren katholieker dan andere dieren.'

In the wilderness

He, of his gentleness,

Thirsting and hungering

Walked in the wilderness;

Soft words of grace he spoke

Unto last desert folk

That listened wondering.

He heard the bittern call

From ruined palace-wall,

Answered him brotherly;

He held communion

With the she-pelican

Of lonely piety.

Basilisk, cockatrice,

Flocked to his homilies,

With mail of dread device,

With monstrous barbèd stings,

With eager dragon-eyes;

Great bats on leather wings

And old, blind, broken things

Mean in their miseries.

Then ever with him went,

Of all his wanderings

Comrade, with ragged coat,

Gaunt ribs - poor innocent -

Bleeding foot, burning throat,

The guileless young scape-goat:

For forty nights and days

Followed in Jesus' ways,

Sure guard behind him kept,

Tears like a lover wept. (noot 1)

(vertaling:)

Hij, in zijn beminnelijkheid,

Dorstend en hongerend

Liep in de wildernis;

Sprak zachte woorden van genade

Tot de laatste woestijnbewoners

Die verwonderd luisterden.

Hij hoorde de roerdomp roepen

Vanaf een verwoeste paleismuur,

Antwoordde hem broederlijk;

Hij hield gemeenschap

Met de vrouwtjespelikaan

Van een eenzame vroomheid.

Basilisk, slangendraak,

Dromden naar zijn preken,

Met pantsers van schrikstaken,

Met monsterlijke weerhaken,

Met vurige drakenogen;

Grote vleermuizen op leren vleugels

En oude, blinde, wrakke wezens

Miezerig in hun miserie.

Toen liep altijd met hem mee,

Op al zijn tochten

Kameraad, met geschonden vacht,

Vel over been - arm onschuldig -

Bloedende voeten, brandende keel,

De argeloze, jonge zondebok:

Veertig dagen en nachten

Volgde hij Jezus' wegen,

Hield achter hem een zekere wacht,

Weende tranen als een minnaar.

In een beschouwing over de woestijn heb ik eens geschreven dat het niet alleen een plaats is van verzoekingen maar ook van verschrikkingen (noot 2). Ik dacht daarbij aan de oorspronkelijke duisternis van Genesis 1, die ons blijft begeleiden. In het Nieuwe Testament komen we de woestijn primair tegen als steppe, als marge van de landbouwgronden waar nog altijd leven mogelijk is. Gaan we een stap verder dan stuiten we op de uiterste grens van het tohoewabohoe. In de evangeliën worden de verschrikkingen maar op één plaats, heel kort aangeduid. In Marcus 1:12/13 lezen we: 'En terstond dreef de Geest Hem uit naar de woestijn. En Hij werd in de woestijn veertig dagen verzocht door de satan en Hij was bij de wilde dieren, en de engelen dienden Hem'. Mattheüs en Lucas laten die dieren weg en spreken alleen van verzoekingen.

Er is dus maar één spoor in de Bijbel van de traditie waarin de woestijn ook confrontatie met wilde dieren betekent. Ik denk niet dat we daarbij aan de Romeinse arena moeten denken. Het zijn fabeldieren. Prototypen daarvan zijn de Behemoth, de Leviathan en de Basilisk die we nog in de Statenvertaling tegenkomen. Door het Nederlands Bijbelgenootschap zijn zij gemoderniseerd tot nijlpaard, krokodil en slang (noot 3). Volgens het NBG gaat Jezus op safari.

Er is een gedicht van de Engelse dichter Robert Graves, waarin die confrontatie met de dieren centraal staat. Jezus ontmoet hen 'in de wildernis' na het passeren van de laatste woestijnbewoners.

De 'laatste mensen' ontvangen verwonderd een woord van genade, in het voorbijgaan. We zien in die dierenwereld duidelijke verschillen. Allereerst worden de roerdomp en de 'she-pelican' genoemd, nog geen echte fabeldieren. Graves volgt hier nauwgezet de tekst van de Bijbel. Zefanja 2:14 zegt van het verwoeste Ninevé: 'zowel pelikaan als roerdomp zullen overnachten op zijn kapitelen'. En in Jesaja 34:11 lezen we over Edom: 'van geslacht tot geslacht ligt het woest, tot in alle eeuwigheden trekt niemand daardoor. Pelikaan en roerdomp nemen het in bezit' (zie ook Jes. 14:23 en Psalm 102:7). We komen hier de woestijn tegen als woestenij, als door mensen verwoeste plaatsen. In die zin spreekt ook de dichter Nijhoff over de woestijn van de moderne industriële wereld die weer bewoonbaar gemaakt moet worden.

De dichter voegt ook iets toe aan de bijbelse gegevens: het roepen van de roerdomp, de vroomheid van de vrouwtjes-pelikaan. Iets meer over beide dieren vond ik in het bekende dierenboek van Burgersdijk (de man van de Shakespeare-vertalingen) (noot 4). Van de roerdomp zegt hij dat deze des nachts vliegend een kort geluid op dat van de raaf gelijkend laat horen. 'Maar vooral merkwaardig is de muziek, waarop het mannetje in den paartijd zijne echtgenoot vergast... een vreemd geluid, dat men in stille nachten wel een uur ver horen kan.' De roerdomp heeft iets van de 'lover' die in de laatste regel wordt genoemd. Over de vrouwtjespelikaan vermeldt Burgersdijk de legende dat zij zich de borst openscheurt en de jongen met haar bloed voedt. 'Daardoor is de pellikaan het zinnebeeld geworden der moederliefde, of zelfs van de zelfopofferende liefde des Zaligmakers.' De religieuze verbeelding heeft zich meester gemaakt van de eenzaamheid van beide dieren maar zonder hen te misvormen. Jezus beantwoordt de roep van de roerdomp broederlijk. Met de pelikaan heeft hij een contact alsof hij met haar het sacrament deelt. Het lijkt mij dat de roerdomp en de pelikaan goede kandidaten zijn voor de status van Animalia Catholica waarvan er tot nu toe volgens Reve door de Kerk slechts twee als zodanig zijn erkend 'zij het onder voorbehoud, als toegestaan geloof, en zonder aanspraak op onfeilbaarheid...' (noot 5). Het is al een hele promotie want in de Tora zijn pelikaan en/of roerdomp nog onreine dieren (Lev. 11:18; Deut. 14:17).

Niet alle 'wilde' dieren zijn dus monsters. Maar ze zijn er wel degelijk als we een stap verder de woestijn in trekken, de schrikwekkende fabeldieren met pantsers, scherpe spietsende punten en vurige drakenogen. De grote vleermuizen als mythische vampiers. Daarnaast worden ook allerlei zielige wezens genoemd, miezerig in hun miserie.

Ten laatste treedt de zondebok op. Het gedicht neemt hier een verrassende wending. In een latere versie heeft Graves dat benadrukt door 'And' waarmee eerst deze passage begon, te vervangen door 'Then'. Dat is een echo van het bijbelse 'En het geschiedde dat...'

Toen ('ineens' zou Marcus zeggen) gebeurde er iets dat het voorgaande in een nieuw licht zet. Het laatste dier hoort niet in de woestijn maar is er door menselijk ingrijpen in verzeild geraakt. Het loopt er vermagerd en geschonden bij. Hebben de priesters die de bok de woestijn in zonden wel eens stilgestaan bij de vraag wat er van hem terecht moest komen? En wat hij daar teweeg zou brengen?

Ook van zijn beschrijving zijn er twee versies. In een oudere wordt de zondebok 'oud' genoemd. Hier heet hij 'jong'. Ik denk dat de dichter hem uitdrukkelijk heeft willen onderscheiden van de eerder genoemde 'oude, blinde, wrakke wezens'. Een jonger dier is een betere diender. De zondebok heeft de uitdrijving overleefd, heeft op een gegeven moment Jezus zien opdoemen en in hem een 'kameraad' herkend. Maar het belangrijkste is daarmee nog niet gezegd.

Volgens de filosoof René Girard heeft Jezus het zondebokmechanisme doorbroken door te ontkennen dat hij schuldig was. Het mechanisme werkt alleen als de schuld bekend wordt. Dat dat niet alleen in mythische tijden zo is, bleek bij de 'kameraden' van Stalin. In het gedicht wordt tot tweemaal toe de onschuld van de zondebok vastgesteld.

Het is opvallend dat Jezus zijn loopbaan op aarde is begonnen en heeft beëindigd met het passeren van een uiterste grens; aan het eind door de nederdaling in de onderwereld, aan het begin door het gaan naar de wildernis. Zoals hij aan het eind met terugwerkende kracht Adam en Eva bevrijdde, zo aan het begin de zondebok. En hij doet het met dezelfde middelen die hij in de omgang met mensen zal gaan gebruiken: groet, communie, preken. Wonderen doet Jezus bij die wonderdieren niet. Terecht, want dat kunnen zij ook. De vurige blik alleen van de Basilisk kan al doden. Het enige wonder is dat hij ze onbeschermd opzoekt.

Wat moeten we nu met die 'verschrikkingen', zal de moderne lezer denken. Die wilde dieren als monsters zijn toch door ons zelf verzonnen? Ja, dat zal wel. Het punt is dat ze macht over ons hebben. De vraag is hoe die macht gebroken kan worden. Kan dat alleen door geweld? Girard wijst er op dat ook van de zondebok vaak een monster gemaakt wordt. Hij heeft het boze oog, de dodelijke blik.

In de wildernis is inmiddels een hele nieuwe situatie ontstaan. De zondebok bewaakt Jezus en de monsters drommen naar zijn preken. Er is, denk ik, een verband tussen die twee feiten. Als de zondebok een produkt van mythische verbeelding is, hebben we dan ook die monsters niet zelf gecreëerd? Lucebert heeft van de vele monstertjes die hij schilderde eens gezegd dat de mensen die zijn werk kochten er op den duur van gingen houden; in wezen waren ze goedaardig (hij maakte daarbij wel een uitzondering voor de generaals). Geldt dat ook niet voor deze fabeldieren? De zuivering van de zondebok krijgt een uitstraling. Zijn die draken welbeschouwd - met het goede oog, met de traan als lens - niet gewoon 'oude, blinde, wrakke wezens'? De zuivering van de zondebok impliceert ook hun loutering. Dat is de 'zekere bescherming' van de nieuwe lijfwacht. Voor het eerst, 'sinds de grondlegging der wereld', voltrekt zich dat vredesproces zonder geweld.

Alle dieren zijn katholieke dieren, alleen zijn sommige dieren katholieker dan andere dieren.

Dat is de pointe van deze simpele fabel met haar directe, Marcusachtige vertel-trant, gesteund door een eenvoudig ritme en rijm.

mailIcon print |