De Nederlandse overheid meent het goed met de natuur. Zo lang projectontwikkelaars er geen vinger tussen krijgen, worden onder druk van de economie en van natuurorganisaties voormalige landbouwgronden teruggegeven aan de natuur. 'Nieuwe natuur' heet dat, want die term doet het goed in de politiek. Natuurontwikkeling is ook zo'n woord waar de overheid dol op is. Projectbureaus haken erop in en komen met prachtige plannen om via het omlieren en ringen van bomen en begrazing tot nieuwe natuur te komen.
Nieuwe natuur is onzin. Je kunt hooguit zeggen dat op een nieuwe manier over natuur wordt gedacht. Want wat is natuur nog in dit land, dat steeds meer op een bloempot gaat lijken? Natuur is maakbaar, is de boodschap.
Het zijn vooral de dieren en planten van de 'oude natuur', die verdwijnen. Planten en dieren van blauwgraslanden, heidevelden, voedselarme vennen, beekdalen en oude bossen. Die oude natuur is historisch gegroeid en niet te maken.
Onderzoekers merken dat bepaalde planten- of diergroepen achteruitgaan en stellen maatregelen voor om hun voortbestaan te bevorderen. Maar wat goed is voor één planten- of diergroep, hoeft dat niet ook voor andere te zijn. Zo is de tegenwoordig algemene praktijk van verschraling door het afvoeren van maaisel schadelijk voor de populaties van graslandvlinders, als onvoldoende rekening wordt gehouden met hun ontwikkelingscyclus.
Vijf voor twaalf
Insecten sterven geruisloos uit. Insectenkenners die aan de bel trekken, worden alleen gehoord als het om populaire insecten gaat zoals dagvlinders en libellen. Voor verscheidene wilde bijensoorten is het vijf voor twaalf. Over de achteruitgang van kokerjuffers in de heuvellandbeken maken eigenlijk uitsluitend hydrobiologen zich zorgen. Ze staan niet meer alleen. De specialisten die werken voor de European Invertebrate Survey (EIS), inventariseren en monitoren alle ongewervelde dieren in ons land. Ze signaleren waar het mis dreigt te gaan.
Van veel insectensoorten die op de rand van uitsterven staan, is de leefwijze nauwelijks bekend. Zonder kennis van de eisen die bepaalde soorten aan hun milieu stellen, bestaat het risico dat door een bepaald natuurbeheer planten- of diersoorten die men juist had willen beschermen, van de kaart worden geveegd. Een voorbeeld deed zich voor in Kent, waar pogingen om ruigtevegetaties onder controle te brengen ten gunste van een groot aantal dagvlinder- en plantensoorten de wrattenbijter (Decticus verrucivorus) op de rand van uitsterven bracht.
Sprinkhanen
Deze sabelsprinkhaan is een van de weinige diersoorten van weidegebieden die de voorkeur geven aan ruigte. Tegenwoordig beschouwt de Nature Conservancy Council de wrattenbijter als het meest bedreigde insect van Groot-Brittannië. De laatste minuscule populaties komen nog voor in Zuid-Engeland.
In Nederland is het niet beter. Het zwaartepunt van de verspreiding lag vroeger op de Veluwe en in het Gooi. Na 1980 is dit insect op maar vier plekken gevonden. De laatste wrattenbijters in het Gooi werden in 1989 gezien. De grootste Nederlandse populatie bevindt zich nu in Noord-Brabant.
De zadelsprinkhaan is een vergelijkbaar geval. Deze vleugelloze sabelsprinkhaan komt in minieme populaties nog voor op de Veluwe en bij Nijmegen. Een van de grootste populaties is twee jaar geleden vastgesteld in het nationale park Veluwezoom, waar de dieren leven in droge heidevelden met bremstruiken, jonge boompjes en open plekken. Dat zijn vooral vroegere stuifzanden, die geleidelijk aan dichtgroeien.
Mannetjes hebben een zangpost in struiken, vrouwtjes leggen hun eieren op zandige open plekken of in moskussens. Het voortbestaan van de populaties komt in gevaar als de heide verruigt en dichtgroeit. Misschien is extensieve begrazing met runderen en paarden een oplossing, maar dan moet wel goed op het effect worden gelet.
Niet meer gewoon
Het gewone spitskopje is allerminst gewoon. Het komt nog vrij veel voor in grote laagveenreservaten, vooral in dichte vegetaties van russen en zeggen, maar in landbouwgebied is het nog hoofdzakelijk te vinden in hogere begroeiing aan slootkanten en meeroevers en in pitrusveldjes. Dit grappige sabelsprinkhaantje is nog algemeen op de Waddeneilanden, in de duinen, in Noordwest-Overijssel, de Peel en het gebied van de grote rivieren. Daarbuiten kun je het al haast niet meer vinden, ook niet in de laagveengebieden van West-Nederland, waar het ooit inderdaad gewoon was. De achteruitgang is waarschijnlijk te wijten aan intensivering van de landbouw.
Een goede manier van beheer is in het landschap zoveel mogelijk kleinschalige variatie aan te brengen, zo dicht mogelijk bij de tegenwoordige toestand. Toch is dat geen garantie dat daarmee alle ongewervelde dieren die in dat landschap voorkomen, daar voordeel van hebben. Er zijn soorten die zich alleen bij grotere aaneengesloten vegetaties van een plantensoort goed kunnen handhaven.
Helaas is gedifferentieerd beheer kostbaar en moeilijk te verwezenlijken, zeker nu de overheid op natuurbeheer bezuinigt. Het is al mooi als er niets van vroeger verloren gaat.
Vrijwilligerswerk
Een voorbeeld is het behoud van knotbomen. De vermolmde koppen leveren veel meer insecten leefmogelijkheden dan gezonde bomen. Zo komt het door de knoteiken dat er in Twente nog een plek is waar het vliegend hert, Nederlands grootste kever, veel voorkomt. Maar als een knotboom niet regelmatig wordt afgezet, wordt de kroon te zwaar en valt de oude stam uit elkaar. Zo zijn veel knotbomen verdwenen.
Wilgen, eiken, essen, populieren en elzen knotten is doorgaans vrijwilligerswerk. Boeren gebruiken het geriefhout niet meer en hebben niet langer een boodschap aan de knotbomen. Hooguit ondersteunen ze de vrijwillige knotters met soep en koffie. De overheid laat zich er ook weinig aan gelegen liggen. Soms is de gemeente de vrijwilligers financieel ter wille. En dat is dan al heel wat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.