Andermaal liep een liberaal politicus stuk op artikel 23. Verhinder de oprichting van nieuwe islamitische scholen, betoogde Ayaan Hirsi Ali vorige week, en daarmee toucheerde zij de gevoeligste plek van de christelijke partijen: de vrijheid van onderwijs. Zo ver wilden ook andere partijen niet gaan, want artikel 23, daar blijf je af.
,,De vrijheid van onderwijs zit in onze genen'', zei minister van Onderwijs Maria van der Hoeven, toen nog in kabinet-Balkenende I, tegen Trouw. De christendemocrate kan er niets aan doen; zoals alle christelijke en katholieke politici heeft zij een apart gen dat haar doet aanslaan zodra de vrijheid van onderwijs in het geding is. Dat gen heet: artikel 23. Sinds 1917 is het Nederlandse onderwijsbeleid erfelijk belast, en tenzij er een liberale of socialistische durfal in dat DNA gaat snijden blijft dat zo tot het einde der tijden.
Waar zijn de christelijke partijen zo bang voor? Voor de rooien. Aan het einde van de negentiende eeuw, toen openbare scholen wel en andere scholen geen subsidie kregen, stond 'openbaar' voor de goede christen gelijk aan 'hoog-rood' in 't Noorden tot 'kloostergrauw en ultramontaanzwart' in 't Zuiden, aldus een dominee. ,,Eén kleur echter heeft zij nog niet'', voegde hij er bloeddorstig aan toe, ,,namelijk de doodskleur; had zij die maar, dan waren wij van haar af''.
,,De geest der openbare scholen is verderfelijk, het onderwijs opruiend, barstend van verkeerden vrijheidszin, de openbare school is goed voor heidenen en joden; de eerste willen van God niets weten, de laatste van Christus niet'', schreef het Nieuwsblad van de Hoeksche Waard.
Eigenlijk waren niet de socialisten, toen nog niet in het parlement vertegenwoordigd, het grote gevaar, maar de liberalen. Zij hielden decennialang de vorming van een gelijkwaardig onderwijs op katholieke en protestantse scholen tegen.
Het begon allemaal met Thorbecke. Hij legde in 1848 de eerste grondwet vast met daarin de vrijheid van onderwijs. Voor het eerst werd ouders officieel het recht verleend 'naar hunne begrippen de opvoeding hunner kinderen te regelen en de ontwikkeling van hun verstand' toe te vertrouwen aan bevoegde leraren.
Zij mochten dus bijzondere scholen oprichten - zij het met hun eigen geld, want de overheid verleende alleen subsidie aan de eigen, openbare scholen. Dat wrong, temeer daar alle scholen aan steeds meer eisen moesten voldoen: geschoolde onderwijzers, schoolgebouwen met gezonde, ruime klaslokalen. Toen in 1878 de Schoolwet van de liberaal Kappeyne van de Coppello ter tafel lag, om het openbaar lager onderwijs te versterken, ontbrandde de schoolstrijd pas goed.
Anti-revolutionair Abraham Kuyper verzamelde 300000 handtekeningen voor een volkspetitie waarin hij koning Willem III wilde bewegen, niet voor de wet te tekenen. De katholieken kwamen met het toentertijd respectabele aantal van 160000 handtekeningen. De School met de Bijbel was of een weelde voor rijken, of een aalmoes voor arme christenkinderen, betoogden de confessionelen. De armzalige positie van de bijzondere scholen kon met deze wet alleen nog maar erger worden. ,,Sire, zal dat goed voor Uw land en volk (...), de nationale toekomst, of zal dat goed voor God zijn? Plaats, Sire, onder zulk een Wetsvoordracht Uw Koninklijke handteekening nooit!''
Sire tekende wel, en de confessionelen moesten wachten tot zij zelf de regering vormden. In die jaren ontstonden organisaties als het anti-Schoolwetverbond en de Unie 'Een school met de bijbel'. In het parlement concentreerde het debat zich op één woord in de Grondwet: 'Het openbaar onderwijs is een voorwerp van aanhoudende zorg der Regering'. 'Openbaar', dus niet 'bijzonder', betoogden de liberalen. Bekostiging van het bijzonder onderwijs was Grondwettelijk verboden.
De katholieke en protestantse parlementariërs verzonnen daarop in 1887 een list. De liberalen wilden zo graag uitbreiding van het mannenkiesrecht. Welnu, dat konden ze krijgen, maar dan wel in ruil voor een soepeler interpretatie van de Grondwet. Opeens stond die de financiering van bijzondere scholen niet meer in de weg.
Met elk opeenvolgend confessioneel kabinet werden de subsidies hoger, maar het terugkerende punt van de bekostiging verlamde het politieke debat. Tot in 1917, toen de wereld brandde, Nederland zijn mannen mobiliseerde en vrouwen hun rechten opeisten. De noodzaak tot uitbreiding van het kiesrecht deed zich voelen en weer volgde een merkwaardige uitruil. Tegen de eigen principes in beloofden de confessionelen mee te werken aan de invoering van het algemeen mannenkiesrecht en het passief vrouwenkiesrecht. Beloning: de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs. Voortaan zou iedere uitgave ten behoeve van het openbaar onderwijs ook ten goede komen aan het bijzonder onderwijs.
Sindsdien is het mogelijk dat ouders, mits voldoende in aantal, een eigen school oprichten volgens de eigen religie of stroming, zonder zelf te moeten financieren. Ouders kunnen een school kiezen die het beste bij hun opvoeding past. Artikel 23 zorgt ervoor dat scholen met de Bijbel hun boodschap kunnen verkondigen in de klas, niet gehinderd door het adagium 'scheiding van kerk en staat', zoals dat in Frankrijk geldt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.