Een lezeres uit Voorburg stuurde een foto van vier pinda's etende halsbandparkieten op haar balkon met de opmerking: 'Graag geziene gasten in het Voorburgse park Essesteyn'. Niet iedereen is dat met haar eens. Halsbandparkieten worden ervan verdacht broedgelegenheid van andere vogels te kraken. Tot nu toe schijnt dat nogal mee te vallen.
Regelmatig ontsnappen allerlei papegaaien en parkieten, maar alleen de halsbandparkiet (Psittacula krameri) zag kans zich in vrijheid voort te planten en zich tussen inheemse vogels te handhaven.
De eerste vrij levende paren broedden omstreeks 1960 bij de dierentuin van Keulen. Kort erna verscheen de halsbandparkiet in Londen. Het eerste broedgeval in ons land werd in 1968 vastgesteld in Park Ockenburgh in Den Haag. Eind jaren zeventig vlogen er al tientallen schetterend door het Amsterdamse Vondelpark, waar het eerste paar in 1977 tot broeden kwam en drie jongen kreeg. Pas in 1980 zag je ze in de hele stad. Het aantal Amsterdamse parkieten, broedend en niet broedend, wordt nu geschat op vijfhonderd.
In veel Europese steden leven waarschijnlijk meer halsbandparkieten in vrijheid dan in kooien. Ik zag ze in Parijs, Brussel en Lissabon, in Haarlem, Aerdenhout, Amsterdam, Den Haag en Amstelveen. Andere Nederlandse plaatsen waar ze voorkomen zijn Rijswijk, Voorburg, Wassenaar, Leidschendam, Terneuzen, Rotterdam, de Beemster en Weesp. Ongetwijfeld leven ze op nog veel meer plekken.
Edelparkieten
De naam halsbandparkiet is misleidend. De merelgrote, slanke papegaai is te groot voor een parkiet. Kooivogelhouders noemen hem en zijn verwanten edelparkieten.
De halsbandparkiet heeft vanouds een merkwaardige verspreiding. Hij komt zowel in Afrika als in Azië voor. Uiterlijk is er amper verschil tussen de Afrikaanse en de Aziatische halsbandparkieten, maar wel in gedrag. Afrikaanse halsbandparkieten leven op de droge savannen van Zuid-Mauretanië tot in de Centraal-Afrikaanse Republiek en Noord-Oeganda. Ze zoeken de bossen op en bezoeken de akkers nauwelijks, in tegenstelling tot de Aziatische vogels. Die plunderen vruchtbomen in steden en dorpen en teisteren graanakkers. In Azië leven halsbandparkieten in India, Pakistan, Sri Lanka en Zuidoost-China. In Hongkong is het een gewone stadsvogel.
De Europese halsbandparkieten schijnen vooral uit India en Pakistan afkomstig te zijn.
Halsbandparkieten leven meestal in zwermen, vooral op de slaapplaatsen. In 'Sijsjes en drijfsijsjes' (uitgave Schuyt, 1996) schrijft Geert Timmermans dat het Amsterdamse Rembrandtpark in november1994 156 slapers telde en dat in de herfst van 1995 op een slaapplaats in het Sloterpark 210 halsbandparkieten werden geteld.
Voedertafels
Tegen de avond vliegen de vogels in snelle rechtlijnige vlucht, meestal in paren, soms in troepjes van zes tot tien, krijsend over de stad naar hun slaapplek, die altijd buiten het stadscentrum ligt. In de morgenuren zwerven ze uit over de omgeving en zoeken ze voedsel in parken en tuinen. Ze zijn ongevoelig voor kou, als er maar genoeg te eten is, en niet benauwd in hun voedselkeuze. Geert Timmermans noemt roos, braam, meidoorn, sierappel, zoete kers, dwergmispel, vlier, paardekastanje, hulst, haagbeuk en es als bomen en struiken waarvan jonge knoppen en vruchten worden gegeten. 'sWinters komen ze ook op particuliere voedertafels.
Vermoedelijk zijn de eerste halsbandparkieten losgelaten door mensen die ze als kooivogel hielden en er op zeker moment genoeg van hadden. Het is te begrijpen, want ze krijsen allerakeligst. Halsbandparkieten vestigen de aandacht op zich door dat krijsende en schrille parkietengeluid, 'kiew... kiew....', dat ze vooral in de vlucht laten horen en dat zelfs boven het lawaai van de stad te horen is.
Schutkleur
Als ze eens zwijgen zijn ze door hun bladgroene kleur in het boomlover moeilijk te ontdekken. Dat groen is een uitstekende schutkleur, zoals ik eens meemaakte in het Vondelpark: er dwarrelden jonge scheuten uit een treurwilg voor mijn voeten en het duurde even voordat ik de twee jonge halsbandparkieten zag die zich aan de scheuten te goed deden.
Op de lange staart heeft het groen een prachtige blauwe weerschijn. Het papegaaitje heeft een helderrode snavel, een smalle rode ring om het oog en donker grijsgroene poten, het mannetje bovendien een zwarte keel, een blauwachtig achterhoofd en een smalle roze halve nekband. Vrouwtjes missen de zwarte keel, het blauw op het achterhoofd en de roze nekband.
Halsbandparkieten zijn exotisch van kleur, maar toch niet meer dan ijsvogel, blauwborst en wielewaal, die hier wel degelijk thuishoren.
In Afrika en Azië leggen halsbandparkieten hun vier witte eieren in boomholten, muurspleten en gebouwen. In Nederland broeden ze in holen hoog in boomtoppen. Het mannetje zit naast het nestgat, terwijl het vrouwtje broedt. Ook aan het voeren van de jongen neemt hij niet deel. Meteen na het grootbrengen van de jongen ruien de oude vogels, wat vier tot vijf maanden duurt. De jongen ruien voor het eerst als ze een jaar oud zijn en doen pas mee aan de voortplanting als ze drie jaar zijn.
Mezenkasten
Bekend is dat halsbandparkieten de vliegopening van mezenkasten vergroten. Ze zouden om nestkasten kunnen concurreren met torenvalken, kauwen, bos uilen en holenduiven, maar bezetten nu nog vooral oude nest holten van de grote bonte specht, een voormalige bosvogel die het ook in stedelijk gebied voor de wind gaat. Ook met kauwen hoeven we niet te doen te hebben. Daarvan zijn er nu ook veel. Maar wat de parkieten gaan doen, als hun aantal uit de pan rijst, is de vraag.
Halsbandparkieten hebben nauwelijks natuurlijke vijanden. Met hun kromme snavel kunnen ze zich uitstekend weren. Ik heb wel eens gehoord dat een halsbandparkiet werd geslagen door een sperwer, maar het slachtoffer zal ongetwijfeld zijn snavel hebben gebruikt om zich te redden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.