Daar was die dan, de officiƫle recessie. Op 15 mei maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend dat de Nederlandse economie twee kwartalen achter elkaar was gekrompen. Dan is er, voor de boeken, sprake van een recessie.
Daarvoor was de toon van malaise al gezet. In maart sprak het Centraal Planbureau van 'moeilijke tijden'. Een VNO-directeur kon het toen niet schelen dat het r-woord nog niet gevallen was: ,,Het land zit in een absolute dip. Of je het woord recessie nu wilt gebruiken of niet, het gaat in ieder geval verdomd slecht.'' Maar pas als het officieel vaststaat, komt het gebruik van sombere taal echt op gang. Premier Balkenende, op 15 mei nog demissionair, liet het volk gelijk weten dat ook hij vond dat er 'moeilijke tijden' waren aangebroken. Het zou 'pijn lijden worden voor iedereen'. Daarna volgden de onheilstijdingen elkaar in hoog tempo op. Vooral economische instituten als het CPB en politici als Gerrit Zalm wakkerden het pessimisme aan. De economie is 'zwak', het is 'kommer en kwel', 'neergang', de export krijgt 'klappen', de werkloosheid een 'terugslag'. Er moet van alles 'aangezwengeld', 'drijvende gehouden', 'opgekrikt', 'omhoog gestuwd', maar het lukt niet. De 'schatkist raakt leeg'.
Dat kwam aan. De psychologie deed haar werk. Het consumentenvertrouwen zakte verder weg naar nieuwe dieptepunten. Nederland werd als het ware klaargestoomd voor de ingrepen die het kabinet in wording in gedachten had. De regeringsverklaring, uit juni, sloeg dan ook dezelfde stevige toon aan. Het heette niet meer zoals vroeger dat we 'de broekriem moeten aanhalen' of 'de tering naar de nering moeten zetten'. Maar ,,niets doen tot het weer beter gaat is geen serieuze optie. Dan raken we dieper in het dal'', stelde premier Balkenende in de taal van 2003. Matiging is nodig, herhaalde hij tot drie keer toe, en 'pijnlijke maatregelen'.
In die trieste sfeer werden we niet veel wijzer over de aard van de recessie. De ene keer was die net zo diep als de dip van begin jaren negentig -die veel sneller overwaaide dan toen gedacht. Dan weer zouden alle variabelen zich akelig snel richting de crisis van begin jaren tachtig bewegen.
Economen probeerden tegenwicht te geven aan de zwarte stemming. Sweder van Wijnbergen stelde in NRC Handelsblad dat het kabinet door juist nu flink te bezuinigen ,,een gigantische baksteen in de poldervijver gegooid heeft''. ,,Een wat nuchterder kijk op op de economie van Nederland leert dat er structureel de afgelopen drie jaar niet zoveel veranderd is; wat slecht gaat is de wereldeconomie, per definitie een niet-structurele bron van ellende''. De Groningse econoom Steven Brakman temperde in deze krant het pessimisme. ,,Wat we nu zien is niet anders dan normaal. Na een stijging van de economie volgt een daling. Opvallend is alleen dat we een langere opgaande fase hebben gehad dan gewoonlijk, met al die onzinverhalen over de nieuwe economie.''
De economen kregen afgelopen week bijval van de president van De Nederlandsche Bank Wellink. We moeten niet overdrijven, zei hij. Het is tijd weer andere taal te bezigen, die van ontluikend groen: ,,Het herstel van de Nederlandse economie zit nu in een prille lente.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.