Amerika heeft de pretentie via een oorlog in Irak het Midden-Oosten te democratiseren. Maar Westerse beginselen en waarden zijn niet zomaar toe te passen. Democratie vergt nationale samenhang en politieke stabiliteit.
Hoe geloofwaardig is de pretentie van de regering Bush om via een regime-wisseling in Irak een proces van democratisering in het Midden-Oosten op gang te brengen? Het antwoord op die vraag wordt meestal mede bepaald door het standpunt over een oorlog tegen Irak. Wie tegen een aanval is, is geneigd die pretentie niet serieus te nemen; wie daarvoor is denkt wel dat de VS democratie kunnen brengen.
Achter de idee dat democratisering valt te sturen zit het neo-conservatieve Project for a New American Century, waaraan het buitenlands beleid van Bush haar inspiratie ontleent. Die neo-conservatieve inspiratie is opmerkelijk gezien het feit dat conservatief politiek denken in het verleden democratiseringsprocessen eerder heeft afgeremd dan gestimuleerd.
Afgezien hiervan betekent die pretentie ook een breuk met de na-oorlogse Amerikaanse neiging in het Midden-Oosten de stabiliteit van militaire regimes te verkiezen boven het op gang brengen van riskante democratisering. Die pretentie veronderstelt de universele toepasbaarheid van Westerse beginselen en waarden zoals democratie als politiek systeem. In de discussie daarover wordt terecht gesteld dat dat systeem om levensvatbaar te zijn een bepaalde politieke cultuur en maatschappelijke constellatie veronderstelt. Dat bleek weer bij het naoorlogse dekolonisatieproces.
Onder Westerse invloed zijn postkoloniale staten in Azië en Afrika begonnen op basis van een democratische grondwet. Maar spoedig zijn daar bijna overal autoritaire regimes ontstaan met politieke of militaire machthebbers die het staatsapparaat als hun eigendom beschouwen en exploiteren met permanente corruptie als gevolg.
Uiteraard valt dat te betreuren maar het is wel verklaarbaar. Het ontbreekt die staten namelijk aan politieke stabiliteit en nationale samenhang net als aan een democratische gezindheid onder politieke en ambtelijke elites als gevolg van de doorwerking van feodale en koloniale bestuurstradities in de politieke cultuur. Voor levensvatbare democratie is ook een middenklasse nodig die tribale grenzen doorbreekt en ook daar schort het aan.
In Latijns-Amerika heeft die problematiek zich ook eerder voorgedaan. De postkoloniale staten daar hebben in de 19de eeuw het presidentiële stelsel van de Verenigde Staten formeel overgenomen. Maar in de praktijk week dat sterk af van het Amerikaanse model. Ook daar bleven feodale en koloniale tradities een sterk stempel drukken op de politieke cultuur. Ook de conservatieve invloed van de rk-kerk werkte remmend op de democratisering. Door het ontbreken van voldoende politieke stabiliteit heeft de krijgsmacht zich daar eveneens een politieke rol toegeëigend en is de politieke ontwikkeling er regelmatig onderbroken door militaire interventies en regimes.
Al is de situatie in Latijns-Amerika verbeterd, dat neemt niet weg dat globaal genomen ook daar evenals elders in de niet-westerse wereld het democratische gehalte zo kwetsbaar en bescheiden is dat er meestal slechts sprake is van niet veel meer dan een façade of quasi-democratie.
Het Midden-Oosten heeft soortelijke problemen. Ook daar stuit de democratisering op feodale, tribale en koloniale tradities, op de remmende invloed van de islam en op de politieke rol van de krijgsmacht als politiek stabiliserende factor in samenlevingen waarin nationaal besef en nationale samenhang nog grotendeels ontbreken. Postkoloniale staten zijn daar eveneens kunstmatige politieke constructies die alleen met veel dwang bij elkaar gehouden kunnen worden.
Irak is daar een duidelijk voorbeeld van. Wil democratie daar op langere termijn levensvatbaar worden, dan zullen eerst de maatschappelijke voorwaarden geschapen moeten worden. Om te beginnen zal Irak een federale structuur moeten krijgen met een ruime autonomie voor de Sji'ieten in het zuiden en de Koerden in het noorden. Als Amerika Turkije in staat stelt de Koerden in hun streven naar een redelijke mate van zelfbeschikking opnieuw dwars te zitten, komt er van de beoogde democratisering waarschijnlijk weinig of niets terecht.
Dat laatste valt inderdaad te vrezen. Voor Amerikanen weegt sinds lang het geopolitieke belang van Turkse medewerking aan de Amerikaanse Midden-Oostenpolitiek veel zwaarder dan het democratische belang van Koerdische zelfbeschikking. Westerse democratie kan niet zomaar van buitenaf worden opgelegd, al gaat Bush daar kennelijk nog steeds van uit.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.