De eerste Nederlandse immigranten in de Amerikaanse staat Michigan hadden hun eigen Engels: Yankee Dutch. Het is geboekstaafd en zo voor verdwijning gespaard gebleven. Een moeilijke taal is het niet: schrijf Engelse woorden fonetisch op en vervoeg de werkwoorden op z'n Nederlands.
,,Pleased to meet you.'' ,,Piezelmietje.'' George Harper beantwoordt de beleefdheidsfrase bij onze ontmoeting in de 'Yankee Dutch'-variant. Harper is gepensioneerd hoogleraar Engels aan het Calvin College in Grand Rapids. Zijn moeder kwam als meisje met haar Nederlandse ouders naar Amerika, zijn vader was een Schot.
In de tweede helft van de negentiende en begin twintigste eeuw trokken veel Nederlandse immigranten naar Michigan. Tot op vandaag heet de streek rond het dorp Holland, aan het Michigan Meer, 'de Kolonie'. Iets ten oosten daarvan vonden in de stad Grand Rapids veel immigranten emplooi in de meubelindustrie. Ook in Chicago, verder naar het zuiden, streken ze neer, in wat de 'Groninger Hoek' is gaan heten.
Vanaf de eeuwwisseling tot aan de Tweede Wereldoorlog werd in die gemeenschappen, met name in de steden Grand Rapids en Chicago, 'Yankee Dutch' gesproken. Yankee Dutch is een mengtaal van Engels en Nederlands.
,,Yankee Dutch was een echte taal. Ik noem het een dialect van het Nederlands. Het was niet het onder andere migranten gebruikelijke mengelmoesje, zoals het pidgin Engels van de Chinezen of het Creole van de Afrikanen, met een beperkt vocabulaire en een versimpelde grammatica. Yankee Dutch was volledig gebaseerd op de Nederlandse grammatica. Het was Nederlands waarin gemiddeld een op de drie woorden was vervangen door Engelse. Die werden fonetisch geschreven, en op z'n Nederlands vervoegd,'' zegt Harper.
Zo is een schilder een peenter (painter), en als hij klaar is met een jaap (job) dan heeft hij die niet peented (painted), maar gepeent.
Wie spraken die taal? George Harper: ,,Dat waren de meer recente nieuwkomers, niet zozeer de nakomelingen van de 19de-eeuwse immigranten. Die spraken al vloeiend Engels. Veel van dezen hielden ook vast aan het Nederlands, maar dat was een verloren strijd. Dat waren ook degenen die het Yankee Dutch sterk afkeurden.''
,,Het waren de grote groepen immigranten die na 1900 naar Amerika kwamen, die het Yankee Dutch ontwikkelden, en dan met name de handarbeiders onder hen. Zij hadden nauwelijks de kans om Engels te horen, laat staan om het zelf te spreken. Wie die op een kantoor ging werken, of in een ander beroep voortdurend in contact kwam met Engelstaligen, sprak al snel vloeiend Engels. Maar de anderen hadden geen gelegenheid om vlug standaard-Engels te leren. Er waren in die tijd geen cursussen voor hen, zoals nu. Een Vietnamees wordt nu door de autoriteiten onmiddellijk op een cursus geplaatst om Engels te leren, en dat doet hij erg snel. Dat had je toen niet.''
,,Bovendien was de Nederlandse gemeenschap conservatief van aard. Het serieuze werk werd in het Nederlands gedaan. Kerkdiensten werden in het Nederlands gehouden, discussies over godsdienstige vraagstukken ook. Dat ging, zij het op steeds kleinere schaal, door tot aan de Tweede Wereldoorlog.''
,,De nieuwkomers probeerden zoveel mogelijk Engels op te pikken en incorporeerden dat in het Nederlands. Zo kreeg je het Yankee Dutch. Door iedere nieuwe lichting migranten werd dat overigens maar een generatie lang gesproken. De jonge kinderen die meekwamen hadden er natuurlijk weinig moeite mee zich het Engels eigen te maken als ze met Engels-sprekende omgingen. Ik weet dat mijn moeder en haar familie vanaf het moment dat ze hier arriveerden doelbewust vrienden uitzochten die geen Nederlands spraken, op aandringen van mijn grootvader. Hij zei, je moet spreken zoals de mensen hier in de stad het doen. Mijn moeder en haar broers en zusters spraken zonder uitzondering bijna accentloos Engels. Alleen mijn grootmoeder was te doof om Engels te leren, die sprak Yankee Dutch.''
,,Mijn Nederlandse vrienden in high school spraken perfect Engels. Als ik soms bij ze ging eten, dan werd er door hun ouders Yankee Dutch gesproken. Maar veel kinderen wilden niets met Nederlands in welke vorm dan ook te maken hebben.''
Het Yankee Dutch is nu verdwenen, maar is geboekstaafd door Dirk Nieland. Die emigreerde in 1905 als 19-jarige met zijn ouders uit Groningen. Zijn bekendste boek is 'N fonnie bisnis', uit 1929. Het beschrijft episoden uit het leven van de fictieve Loe Verlak, ,,peenter, peeperhenger en dikkereeter'' (schilder, behanger en 'decorator'). Loe heeft een opgeruimd karakter, dat is zijn 'neetsje' (nature). Hij houdt van een grap, van het geven van een 'rezzeteesje' (recitation, voordracht) tijdens 'sjurts (church) banquets' en andere 'zeuremoonies' (ceremonies).
Niet alleen heeft Nielands boek het Yankee Dutch voor vergetelheid behoed, het geeft ook een beeld van het leven van de Nederlandse gemeenschap in Grand Rapids (Granraapis). Daar was het erg populair onder zijn generatiegenoten. Er werden voorlezingen uit gehouden in de 'beezemen' (basement, sousterrain) van de kerk en in huiskamers.
Harper: ,,Ik kende Dirk Nieland. Hij zat vaak in een hoekje van mijn grootmoeders keuken te luisteren als haar vriendinnnen kwamen theedrinken, en schreef op wat hij hoorde. Hij was een waarnemer aan de zijlijn, een buitenstaander. Dat kwam deels doordat zijn vader, een dooplid, uit de kerk gezet werd nadat hij weigerde belijdenis te doen toen de kerkenraad daarop aandrong. Dirk ging mee, en bezag voortaan de kerk van een afstand. Maar hij toonde genegenheid voor de mensen, hij was nooit gemeen, hij maakte ze nooit belachelijk. Zijn hoofdpersoon Loe Verlak was wel belijdend lid van de kerk.''
,,Nieland leerde zelf vloeiend Engels spreken, en verschillende andere talen. Ik zie hem nog in zijn studeerkamer zitten, geheel opgaand in zijn boeken. Dat was zijn leven.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.