*

 

Ephimenco

Sylvain Ephimenco − 15/03/03, 00:00

En alweer hoorde ik hem dezelfde tekst opzeggen op de radio. Zelfde vlakke en grauwe intonatie van een dode schrijver die over de dood spreekt. Het is boekenweek. Ik had het kunnen verwachten. Alweer Boudewijn Büch over de ruige en luidruchtige optocht der rouwenden: ,,De dood dient dood te blijven. Stil, verdrietig, ongelooflijk doodstil. Ik wil de vogels weer horen fluiten op de begraafplaats, ik wil het geknisper van het boekettencellofaan, het zingen van de hitparadeliederen en het scanderen van slogans niet meer horen. Ik wil dat de dood terugkeert naar wat zij behoort te zijn: gruwelijk, onbegrijpelijk en afschuwelijk. Het carnaval der rouwenden, ik kan er niet mee leven.''

Ik kan me die grijze zondagmiddag in mei vorig jaar precies herinneren. Het KRO-gebouw waar het tv-programma 'Netwerk' werd opgenomen was verlaten en de beveiliging zenuwachtig. De sfeer was elektrisch en Fortuyn maar pas begraven. We waren met zijn vieren, Hugo Camps, Elsbeth Etty, Boudewijn Büch en ik, zittend in te diepe fauteuils op onze beurt te wachten. De tekst van Camps was poëtisch, die van Etty politiek en ik probeerde met de mijne begrip voor de atypische rouwrituelen uit Rotterdam te kweken.

Toen ik weer ging zitten, keek Boudewijn melancholisch de camera in: ,,Het is 45 jaar geleden dat ik een vriend zag stikken in een pinda...'' Ik weet nog hoe ik de vermoeidheid in mij voelde opkomen naarmate Boudewijns grafstem zijn tekst meesleurde. Alweer die calvinistische afkeer voor getoonde emoties, die afkeuring van de intellectueel voor het volkse straatrumoer. Maar ik weet zeker dat ik er niets van had gezegd als na afloop Elsbeth mij niet op de volgens haar intrinsieke juistheid van Büchs woorden had gewezen.

In die immense studio verhief ik mijn stem om mijn argumenten kracht bij te zetten. Boudewijn keek me ongemakkelijk aan en op een enkel woord na bleef hij stil. Hij kromde zijn rug, uit beleefdheid luisterend en soms starend naar de grond. Hij had geen zin in een discussie over zijn gevoelens voor de dood en wilde zo snel mogelijk weg. Ver van de mensen en het rumoer. Nu heb ik spijt dat ik op die dag mijn mond niet heb weten te houden. Alsof ik de doodsstilte en onbewogenheid waar hij naar verlangde met mijn geknisper en gezang verstoorde. Ik heb er spijt van omdat ik niet wist dat hij, nog geen zes maanden later, in de eenzaamheid van een leeg grachtenpand de dood zou ontmoeten. De dood zoals hij ze altijd had gezien: gruwelijk en onbegrijpelijk.

mailIcon print |