*

 

Kerels gevraagd

Willem Breedveld − 29/01/03, 00:00

Binnen de smalle marges van de Nederlandse politiek heeft de enquêtecommissie-Srebrenica gedaan wat ze kon: vaststellen wie waar en wanneer tekort is geschoten en een oordeel daarover uitspreken. Dat leverde het vertrouwde beeld op van naïeve politici die wel troepen naar Bosnië stuurden, maar geen oog hadden voor de barre realiteit en een legerleiding die het goed deed, maar 'misschien' tekort was geschoten in de hulp aan moslimmannen en die 'onkundig' en 'onwillig' was in het geven van opening van zaken.

Maar hoe voortreffelijk de commissie-Bakker zich ook van haar taak heeft gekweten, zij is er niet in geslaagd de kern van het probleem te benoemen. Waarom lieten politici zich zo makkelijk meeslepen door het naïeve geloof dat de aanwezigheid van een nagenoeg ongewapend leger des heils in Bosnië voldoende was om de strijdende partijen uit elkaar te houden? Hebben onze politici wel een visie op wat je van een krijgsmacht mag verwachten?

Mijn stelling is dat het aan zo'n visie ontbreekt. Sinds Henk Vredeling en Bram Stemerdink heeft er nooit meer een echte minister van defensie aan het roer gestaan. Bij elke kabinetsformatie was defensie sluitpost. Soms kwamen er politieke zwaargewichten op terecht zoals Bolkestein, Van Mierlo, Scholten of De Grave. Maar voor hen was het meestal een tussenstapje. Hun ambitie, hun kennis, lag bij andere zaken. Vaker moest defensie het stellen met wereldvreemde figuren, althans in de ogen van generaals. Ik denk aan Roelof Kruisinga, die zich als atoompacifist ontpopte, aan Job de Ruiter, die het defensievraagstuk vooral juridisch/

ethisch benaderde, aan Wim van Eekelen, die struikelde over het paspoort, aan Joris Voorhoeve, die professor bleef, aan het driftige baasje Relus ter Beek en de laconieke jurist Benk Korthals.

Het is waar, de tijd dat een generaal (Den Toom) of een onderzeebootkapitein (Piet de Jong) minister van dit departement werd, ligt ver achter ons. Ministers van defensie worden nu geacht vooral stevig te bezuinigen en zich voor het overige te voegen naar de strapatsen van Buitenlandse Zaken, dat op haar beurt geen benul heeft hoe zich te handhaven in de jungle van de internationale politiek. Het zal niet verbazen dat dit alles op generaals een weinig overtuigende indruk maakt. Zij weten bij benadering waar een krijgsmacht voor staat, maar krijgen van de politiek meestal nul op het rekest.

Deze tegenstelling is in de loop der jaren uitgegroeid tot een gevaarlijke kloof. Politici en generaals wantrouwen elkaar en daar is alle reden toe. Generaals weten dat het oorlogsbedrijf bittere ernst is. Zij weten wat het betekent om doodgeschoten te worden. Zij zijn ook bereid dat risico te nemen, het hoort zelfs bij het vak. Maar in ruil daarvoor eisen zij van de politiek oog te hebben voor het haalbare, geen overbodige risico's te nemen en bovenal morele support. Srebrenica laat echter zien dat de politiek naïef is, risico's niet ziet, soldaten met de handen op de rug naar het front stuurt en van generaals eist dat ze én helfdhaftig zijn én niemand laten doodschieten.

Generaal Couzy is nu de kwaaie pier. Hij had zijn politieke chef Voorhoeve slecht ingelicht over de werkelijke gang van zaken tijdens en na de val van Srebrenica. Couzy wilde het leger uit de wind houden en gebruikte daarvoor de doofpot. Dat was fout, een reden zelfs voor onmiddellijk ontslag. Het werkte bovendien contra-productief. Maar ik begrijp hem wel. Couzy had de politiek gewaarschuwd voor de risico's; als dank moest hij een loyaliteitsverklaring tekenen. En toen het fout ging dreigde de legerleiding er voor op te moeten draaien.

Kortom: hoog tijd voor een echte minister van defensie aan het roer. Eén die net als Henk Vredeling zijn generaals durft af te blaffen en desnoods te ontslaan. Maar ook één die achter het krijgsbedrijf staat als dat nodig is. Het is de beste garantie om ons de afgang van een tweede Srebrenica te besparen.

mailIcon print |