Job Cohen, de droomkandidaat van de PvdA, heeft dus ja gezegd. De Amsterdamse burgemeester is beschikbaar voor het premierschap. Voor het geval dát. Maar realiseert hij zich aan welk hachelijk avontuur hij begint?
Niet dat Cohen een vreemde is op het Binnenhof. Met staatssecretariaten op onderwijs en justitie (vreemdelingenbeleid) en een lidmaatschap van de Eerste Kamer tussendoor heeft hij Haagse ervaring genoeg. Dat is het punt niet. Maar een slecht voorteken zijn de ervaringen van andere PvdA-burgemeesters die de landspolitiek opzochten. Eenmaal in Den Haag heb je niets meer aan je reputatie als uitstekend voorzitter van de gemeenteraad, inspirerend aanjager van het college van burgemeester en wethouders, of menselijke en begripvolle eerste burger.
Elisabeth Schmitz (die uit Haarlem kwam), Anneke van Dok-van Weele (Velsen) en Geke Faber (Zeewolde) kunnen er van meepraten. Goed, zij dienden hun vier jaar uit. Maar het ging moeizaam en grote politieke waardering hielden ze er niet aan over. Het is echter nog niets vergeleken bij het droevige lot van drie mannelijke collega's uit de grote steden.
Neem André van der Louw. De oud-PvdA-voorzitter was vol overgave burgemeester van Rotterdam. Totdat de partij hem in 1981 naar Den Haag haalde om minister van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk te worden in het CDA-PvdA-D66-kabinet (Van Agt II).
Die vreugde duurde maar een halfjaar. Toen brak de PvdA. Van der Louw hield er een flinke kater aan over. En een omgespitte tuin, resultaat van een ludieke actie van jongeren die het niet eens waren met zijn voorstel voor een gemeenschapstakenplan voor jeugdige werklozen.
Of Ed van Thijn. Na een indringend 'We hebben je nodig, Ed' van Wim Kok nam hij begin 1994 afscheid van (alweer) Amsterdam om op Binnenlandse Zaken de overleden Ien Dales op te volgen.
Vijf maanden later struikelde hij over de nasleep van de IRT-affaire. Als demissionair minister (er waren inmiddels kamerverkiezingen geweest) zorgde hij met zijn toenmalige CDA-collega Hirsch Ballin van justitie nog voor een staatsrechtelijk novum. Niet eerder waren demissionaire ministers door de Kamer weggestuurd.
Bram Peper vertrok in maart 2000 noodgedwongen. De voetballiefhebber op binnenlandse zaken had de voorbereiding voor het EK 2000 vrijwel rond, toen hij bezweek onder de aanhoudende publicaties over zijn declareergedrag als burgemeester van Rotterdam (waar hij Van der Louw destijds was opgevolgd). Hij stapte luttele maanden voor de aftrap op, om zijn 'handen vrij te hebben om te kunnen terugvechten'. Wat opvalt in deze opsomming is de wijze waarop Rotterdam en Amsterdam elkaar afwisselen. Er is bijna sprake van een wetmatigheid. Cohen is dus gewaarschuwd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.