René van Woudenberg, hoogleraar ken- en zijnsleer, leidt tweewekelijks een oefening in denken.
Laten we ons eens een persoon voorstellen, en laten we haar Maria noemen, die een vriend helpt die in nood zit, die haar eenzame grootmoeder trouw bezoekt, die actief is in het werk van de reclassering en een serieuze poging doet om waardering uit te stralen naar anderen die iets goeds of moois doen. Ik denk dat we al deze handelingen van Maria, vanuit een moreel gezichtspunt bezien, positief beoordelen. Haar handelingen zijn, zo denken we, moreel en niet immoreel.
Het is nog niet zo eenvoudig om precies aan te geven wanneer een bepaalde handeling een morele, in tegenstelling tot een immorele handeling is. Is dat het geval wanneer iemand goede bedoelingen heeft? Is dat wanneer die handeling goede of gunstige gevolgen heeft? Is dat wanneer die handeling genot verschaft aan wie handelt? Is dat wanneer die handeling in overeenstemming is met een algemeen moreel principe, zoals 'beloften behoor je na te komen', of 'wanneer je een belofte niet bent nagekomen, heb je de plicht je nalatigheid te repareren'? In al deze suggesties zit wel iets. Maar het is niet nodig hier een heel preciese kijk op te hebben om toch te kunnen weten dat Maria's handelingen moreel zijn.
Nu hebben heel wat filosofen dingen gezegd over morele handelingen die, als ze waar zouden zijn, zeker op het eerste gehoor behoorlijk schokkend klinken. Zo is wel beweerd dat wat we 'morele handelingen' noemen in feite handelingen zijn die voortkomen uit eigen belang. Maria helpt haar vriend, zo wordt dan gesuggereerd, omdat de aanblik van die vriend haar een ongemakkelijk gevoel bezorgt en dat gevoel probeert ze kwijt te raken door hem te helpen. Op soortgelijke wijze wordt dan tegen haar trouwe bezoekjes van haar grootmoeder aangekeken: ze doet dat om een bepaald schuldgevoel jegens haar grootmoeder om te buigen tot een goed gevoel. En de suggestie wordt dan gewekt dat elke 'morele' handeling wordt ingegeven door eigenbelang, en dus eigenlijk van mindere kwaliteit is dan we waar willen hebben.
Deze stelling, zo zei ik, is zeker op het eerste gezicht shockerend. Laten we haar daarom analyseren. Het zal dan blijken dat ze voor tweeërlei uitleg vatbaar is (iets wat de aanhangers van deze stelling zich doorgaans niet realiseren). Om dat duidelijk te maken neem ik een kleine omweg om te onderscheidentussen de 'inhoud' en de 'verwijzing' van begrippen.
Bekijk eerst eens de begrippen 'vrijgezel' en 'ongehuwde man'. Deze hebben, om het zo te zeggen, dezelfde 'inhoud': ze duiden precies dezelfde eigenschap aan. Daarom zijn beide altijd van toepassing op dezelfde personen. Immers, als een persoon zodanige eigenschappen heeft dat het begrip 'vrijgezel' op hem van toepassing is, dan is ook het begrip 'ongehuwde man' op hem van toepassing. De genoemde begrippen hebben dus dezelfde inhoud en hebben (daarom) ook een gelijke verwijzing: ze verwijzen naar een deelverzameling van de verzameling van mannen.
Maar bekijk nu eens de begrippen 'gewerveld dier met een maag' en 'gewerveld dier met een lever'. Deze hebben duidelijk een verschillende inhoud: het gaat hier om twee verschillende eigenschappen, want het hebben van een maag is een heel andere eigenschap dan het hebben van een lever. Maar nu wil het geval dat elk gewerveld dier met een maag ook een lever heeft, en dat elk gewerveld dier met een lever ook een maag heeft. De begrippen 'gewerveld dier met een maag' en een 'gewerveld dier met een lever' hebben dus een verschillende inhoud maar een gelijke verwijzing: ze zijn van toepassing op precies dezelfde verzameling dieren.
Terug tot de stelling dat elke morele handeling voortkomt uit eigenbelang. Ook hier hebben we te maken met twee begrippen, namelijk 'morele handeling' en 'handeling ingegeven door eigenbelang'. De vraag is: beweren filosofen die deze stelling aanhangen nu dat deze twee begrippen dezelfde inhoud hebben of (slechts) dat ze dezelfde verwijzing hebben? Anders gezegd, beweren ze dat het met de twee zojuist genoemde begrippen zo gesteld is als met 'vrijgezel' en 'ongehuwde man' of zoals met 'gewerveld dier met een maag' en 'gewerveld dier met een lever'? Dat maakt een enorm verschil.
Als ze het eerste beweren, is hun stelling een stelling over de inhoud van begrippen, namelijk dat die inhoud gelijk is. Zo opgevat is die stelling uiteraard onwaar. Immers, zomin als de begrippen 'gewerveld dier met een maag' en 'gewerveld dier met een lever' gelijke inhoud hebben, zomin hebben 'morele handeling' en 'handeling ingegeven door eigenbelang' dat.
Willen deze filosofen iets waars beweren, dan zullen ze dus het tweede moeten bedoelen. Wat ze dan beweren komt dan, als we Maria er nog even bijhalen, hierop neer: Maria's daden zijn dusdanig dat zowel het begrip 'morele handeling' als het begrip 'door eigenbelang ingegeven handeling' erop van toepassing is.
De vraag is echter: is de uitspraak over Maria (en daarmee de stelling: de begrippen 'morele handeling' en 'door eigenbelang ingegeven handeling' hebben een gelijke verwijzing) waar? Het is van groot belang in te zien dat deze vraag niet vanuit de filosofische leunstoel is te beantwoorden. Daarvoor is concreet empirisch onderzoek nodig, net zoals als dat concreet empirisch onderzoek nodig was om er achter te komen dat elk gewerveld dier met een maag ook een lever heeft, en elk gewerveld dier met een lever ook een maag. Willen we dus te weten komen of de stelling, uitgelegd op de tweede manier, waar is, dan moeten we de filosofische leunstoel uit. (En als we dat doen, daarvan ben ik overtuigd, zullen we ontdekken dat ze onwaar is.).
Ten slotte: dit is geen pleidooi tegen de filosofische leunstoel. Integendeel. Zo'n stoel biedt juist een plek om een op het eerste gehoor shockerende stelling te analyseren en (in dit geval) tot zijn ware betekenis te reduceren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.