Met het schuldig verklaren van huisarts P. Sutorius vanwege zijn actieve stervenshulp aan oud-senator Brongersma keert de Hoge Raad zich tegen zichzelf en beschaamt daarmee het vertrouwen in de rechtspraak. De klok wordt jaren teruggezet.
Op 22 april 1988 verstrekte huisarts Sutorius op uitdrukkelijk en aanhoudend gemotiveerd verzoek dodelijke middelen aan de 86-jarige oud-senator Brongersma.
De reden voor het verzoek om hulp was een tragische optelsom van onbehandelbare en onstuitbare lichamelijke aftakeling (botontkalking, zuurstofgebrek, bloedvatvernauwing in de benen waardoor lopen en staan moeilijker werden, en incontinentie) én de diep ingrijpende ervaring van een volstrekt geïsoleerd, leeg en troosteloos bestaan, zonder enig uitzicht op verandering. Het laatste wordt in de media vaak aangeduid met de term 'levensmoeheid'. Sutorius raadpleegde een collega van wie bekend was dat hij zeer terughoudend stond tegenover euthanasie. Ook die zag geen licht in de situatie van Brongersma en vond het verzoek invoelbaar, evenals de geconsulteerde psychiater.
Na ontslag van rechtsvervolging door de rechtbank oordeelde het Gerechtshof in een fel bekritiseerd vonnis dat Sutorius wel schuldig was. De Hoge Raad volgt dit oordeel.
Het arrest is strijdig met eerdere uitspraken van de Hoge Raad, in die zin dat de Raad nu verbiedt wat hij eerder toestond. Als zodanig is het arrest een gevaarlijke inperking van de nieuwe euthanasiewet en vraagt het een krachtig weerwoord.
De uitspraak is een spagaat: al goed doende zat Sutorius fout. Wie dat begrijpt mag het zeggen. Als de Hoge Raad geen grond ziet voor straf, moet hij vrijspreken. Het is van tweeën één.
De motivatie van de Hoge Raad steunt vooral op de eis dat er voor doktershulp bij sterven sprake moet zijn van een ziekte volgens het boekje.
De Hoge Raad volgt de uitspraken van twee deskundigen voor het Gerechtshof Amsterdam, te weten de hoogleraren Legemaate (gezondheidsrecht) en Spreeuwenberg (geneeskundige zorg voor chronisch zieken). Zij stelden dat een arts alleen in beeld komt bij een classificeerbare ziekte. Een lelijke uitglijder, die vooral Legemaate moet worden aangerekend (als jurist zou hij beter moeten weten). Dat de Hoge Raad deze uitspraak honoreert, is, gezien de medische praktijk én de eerdere uitspraken van de Raad (1985 en 1994) nog onbegrijpelijker.
Al sinds jaar en dag valt het medisch domein niet samen met ziekte volgens het boekje. Dagelijks ziet elke huisarts een rij mensen met klachten die niet te herleiden zijn tot een 'classificeerbare aandoening', maar hij wijst hen niet de deur. Een voorbeeld waarin de analogie met het zelfgekozen einde zich opdringt. Niet zwanger willen worden is bepaald geen ziekte. Toch kan iedere vrouw hiervoor op doktershulp rekenen. Een stap verder: ongewenst zwanger is ook geen ziekte. Toch hebben we met elkaar afgesproken dat vrouwen in het opheffen van dit lijden door afbreking van zwangerschap niet langer zijn aangewezen op breinaalden. Fatsoenlijke doktershulp is fatsoenlijk geregeld. En waarom? Omdat er sprake is van evident lijden dat bij doe-het-zelf;methoden tot inhumane situaties leidt terwijl veilige medische hulp mogelijk is.
Het medisch domein is veel breder dan ziek-zijn. Het lijden en de aanwezige veilige medische hulp is beslissend voor het beschikbaar zijn van doktershulp. Het is niet in te zien waarom ondraaglijk en uitzichtloos lijden hiervan zouden zijn uitgesloten. Geen doktershulp staat voor mensen in situaties zoals Brongersma gelijk met verwijzing naar doe-het-zelfmethodes.
Bovendien biedt de euthanasiewet ruimte. Deze bedoelt namelijk een 'codificatie' van de opgebouwde praktijk en jurisprudentie te zijn. Zij legt dus vast wat al is toegestaan. Van belang is hier de cruciale uitspraak in de zaak- Chabot (1994). Het ging hierbij om de hulp aan een niet zieke vrouw. Zij leed ontroostbaar aan verlieservaringen die haar toekomst afgrendelden. Ongetwijfeld zijn enkele facetten van haar lijden terug te vinden in het psychiatrisch classificatiesysteem, maar dat maakte haar, ook voor de Hoge Raad, nog niet psychiatrisch ziek. Bovendien gaat het daar niet om. De Hoge Raad stelde principieel dat 'de oorzaak van het lijden niet afdoet aan de mate waarin het lijden wordt ervaren'. Met andere woorden: ziek of niet ziek is de kwestie niet, het gaat om het lijden. Welnu, in vergelijking met de vrouw in de zaak-Chabot was bij Brongersma de medische context veel duidelijker (zie alleen al de genoemde kwalen). Conclusie: Sutorius had, ook al was de situatie ongewoon, geen reden om te veronderstellen dat hij iets deed wat niet mocht. De afstraffing door de Hoge Raad geeft daarom meer te denken dan de beslissing van de huisarts.
Met de uitspraak dat een arts niet mag oordelen over lijden waaraan geen ziekte ten grondslag ligt, keert de Hoge Raad zich tegen zichzelf. Met deze terugtrekkende beweging laat het hoogste rechtscollege zich kennen als inconsistent en dus onbetrouwbaar. Hij bijt in zijn eigen staart en beschadigt en beschaamt hiermee het vertrouwen in de rechtspraak, in zichzelf in het bijzonder. In de medische praktijk zal deze uitspraak leiden tot afwijzing van gerechtvaardigde verzoeken om hulp bij het zelfgewilde sterven en het ondergronds gaan van dokters die hun integriteit niet willen verraden. Het arrest Brongersma is een lelijke historische vergissing met een hoge prijs. De wetgever moet zich ernstig afvragen of hij dit met de wet heeft bedoeld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.