Fusies tussen Nederlandse en Britse ondernemingen waren tot voor kort door de bank genomen probleemloos en leverden sterkere ondernemingen op. De beroemdste voorbeelden zijn Lever Brothers en Van den Bergh en Jurgens (Unilever) en Koninklijke Olie en Shell (Koninklijke Shell).
Hét grote verschil tussen deze twee succesverhalen en het nu bijna gestrande avontuur tussen British Steel en Hoogovens is dat in het laatste geval het samengaan in wezen niet een fusie genoemd mag worden. Hoogovens vormt slechts een kleine twintig procent van het fusieconcern; een kleintje ging samen met een wankelende reus. Vergelijk dat eens met de verhoudingen bij Unilever en Shell. Shell is net iets meer Nederlands dan Brits en bij Unilever is dat net andersom, maar in beide gevallen is sprake van bijna evenwicht.
In dergelijke verhoudingen is het al iets minder verwonderlijk dat de Britse tak het Nederlandse verzet tegen in Londen uitgebroede plannen als hinderlijk gezeur ervaart. Dat de Britten niets blijken te hebben begrepen van de rol van een ondernemingsraad bij een Nederlandse onderneming of onbekend zijn met de positie van een raad van commissarissen, is behoorlijk onbegrijpelijk, maar iets beter verklaarbaar gezien de relatieve grootte van de twee takken van het staalconcern.
Dat het avontuur met British Steel nu dreigt te mislukken niets te maken heeft met eventuele cultuurverschillen die juist tussen Britten en Nederlanders zouden bestaan, moge ook blijken uit het vorige mislukte fusie-avontuur van Hoogovens. Mocht het Angelsaksische model voor Nederlandse bedrijven bedreigend zijn, het Rijnlandse werd voor Hoogovens uiteindelijk een nachtmerrie.
Het Duitse staalconcern Hoesch was toen het met Hoogovens samenging in Estel nog voor een groot deel een staatsbedrijf. De Duitse bondsregering pompte geld in de Duitse hoogovens, maar de deelstaat was als de dood dat door de fusie (een deel van) dit geld in IJmuiden zou terechtkomen.
British Steel heeft, ondanks Thatcher, ook nog veel weg van een staatsbedrijf. Hoe onrendabel en ouderwets veel vestigingen aan de andere kant van de Noordzee ook zijn, een sanering is nog steeds niet noodzakelijk om te overleven. Ook hier is de vrees dat er goed geld (van de verkoop van de Nederlandse aluminiumpoot) naar kwaad geld gaat. Zij het dat IJmuiden nu de vrees heeft, die in de jaren tachtig bij de Duitsers leefde.
De Britse minister van industrie zinspeelde donderdag nog op steun voor British Steel. Al liggen er nu dan (eindelijk) toch ook plannen om hele vestigingen te sluiten.
Cultuurverschillen tussen bedrijven uit verschillende landen zijn kennelijk veel minder bedreigend voor een fusie dan cultuurverschillen tussen bedrijven die nog de mentaliteit van een staatsbedrijf hebben en bedrijven, die zich na veel vallen en opstaan, onderworpen hebben aan de tucht van de markt. De grote vraag is nu of Hoogovens dit probleem bij de aankondiging van de fusie medio 1999 niet had moeten voorzien.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.