In Trouw (25/1) zet Hans Driessen kort het verschil uiteen tussen godsdienst en filosofie. Filosofen, zo stelt hij, maken zich druk om de vraag: wat is de zin van mijn leven als het toch ophoudt? Waarom maak ik me druk als ik elk ogenblik door de dood kan worden weggevaagd? Op deze twee vragen proberen filosofen steeds opnieuw een antwoord te vinden.
Hij stelt daar tegenover dat ,,de meesten vinden het (dit antwoord) in een of andere godsdienst, waar de antwoorden meestal kant en klaar voor het oprapen liggen, gratis en voor niets. Het enige dat ze ervoor moeten doen is geloof hechten aan wat hun als Gods Woord geopenbaard is; de beloning vindt meestal plaats in de vorm van aanspraak op een bestaan na de dood, een pleister op de wond van de sterfelijkheid. De godsdienst is dus de filosofie voor de gemakzuchtigen en teleurgestelden... Maar wie de levensvragen tot op de bodem wil uitzoeken, die is aangewezen op de filosofie.''
U kent misschien het oude grapje over de theoloog die de filosoof verwijt dat hij al eeuwen zoekt naar de niet-bestaande zwarte kat in de pikdonkere kamer.
,,Dat kan wel zo wezen'', zei de filosoof, ,,maar jullie zeggen dat je hem gevonden hebt!''
Filosofie kijkt neer op theologie. Mensen die godsdienstig zijn laten het er in zeker opzicht bij zitten, zijn intellectueel niet moedig genoeg om zich tot aan de rand van de afgrondelijke leegte, die ons als mens omringt, te begeven om daar rustig in het niets te staren zonder ter plekke door een zelfverterend vuur van wanhoop over ons isolement in rook op te gaan.
Godsdienstigen lopen ook naar die rand, maar zeggen dat het daar meevalt, dat er wel wordt teruggepraat vanuit die leegte, dat we niet helemaal alleen zijn in het heelal, dat er heus wel op ons gepast wordt, dat er iemand over ons in zit, dat het verdwijnen van de mensheid wel degelijk ergens gevoelens van mededogen zou oproepen, kortom dat wij mensen niet alleen op elkaar zijn aangewezen, dat er iets of iemand buiten ons mensen is die of dat zich druk over ons maakt, zowel tijdens ons leven als ook na onze dood.
Gelovigen zijn bang en durven niet goed te kijken, filosofen zijn flink, ze kijken wel, en blijven zo kalm mogelijk.
Ik vind dit eigenlijk ook, maar doe mijn best om daar van af te komen.
Als puber ging ik met een logisch mesje de blubber te lijf die ik in godsdienst vermoedde. Mijn vader was een vrome katholieke man die zondags trouw ter kerke ging en als vijftienjarige beschouwde ik zijn kerkgang als een beetje zielig, en in ieder geval als volstrekt ondoordacht. Met de voor die leeftijd karakteristieke wreedheid was ik, op zoek naar de waarheid, heel wel in staat mijn vader over de doornen van mijn scherpe twijfels te jagen door hem sarcastisch het Wonder voor te leggen van mevrouw G. (van de herenhoedenzaak), die erin slaagde op de terugweg van de communiebank naar haar plaats, een inschatting te maken van de bontjas van mevrouw Van V. (van de overhemdenzaak), met de Maker van het Heelal in haar mond!
Mijn vader werd hier niet filosofisch van, wel nijdig.
Ook hier is de grondgedachte dat gelovigen sukkels zijn, die niet goed uitkijken en zich laten afschepen 'met kant-en-klare antwoorden die gratis en voor niets voor het oprapen liggen', terwijl ze daarmee de verfrissende krachtmeting met de feiten uit de weg gaan waar de filosoof zo van opknapt.
Als dit klopt, dan zouden gelovigen het een stuk rustiger moeten hebben op aarde dan filosofen. ,,Wat zeur je nou, je hebt God toch?'' Maar dat is niet zo. De vergissing ligt denk ik in het gemak dat de filosoof meent te ontdekken in de methode waarmee geloofswaarheden worden verkregen. Omdat deze waarheden filosofisch zo makkelijk onderuit te schoffelen zijn, vermoedt de filosoof dat ze met vergelijkbaar gemak verworven worden.
Hoewel ik niet gelovig ben voel ik toch een zeker ongemak bij de constatering dat geloven een vorm is van niet-denken, mede omdat ik mijn vader, ook na zijn dood, niet wil plagen met wat hij slechts kon zien als ondermijnende slimmigheden.
Hoe dat ook zij, ik kan de twijfels van een gelovige niet volgen. Neem de dichterlijke vraag: ,,Kan het zijn dat Gij mij even wanhopig zoekt, als ik U?''
Glijdt de slang van filosofie hier vrijwel geluidloos het gelovig Paradijs binnen? Want een gelovige die twijfelt, nou ja, da's gewoon een filosoof.
Maar nee. In geloofsvragen, die kennelijk even martelend kunnen zijn als filosofische vragen, wordt er binnen een ander kader getwijfeld dan in filosofie. De geciteerde vraag is niet: is er zoiets als een God? De vraag is eerder: zullen wij, God en Ik, elkaar ooit ontmoeten? Is daar kans opt Waarbij het martelende ligt in de wanhoop over deze toestand waarin God en mens elkaar zo zijn kwijtgeraakt. Ik probeer maar wat.
En hoewel het tergende eraan mij ontgaat, en ik al helemaal niet kan volgen hoe een dergelijke twijfel kan worden opgelost, is het ook mij wel duidelijk dat hier niets voor het oprapen ligt, dat dit niet kant-en-klaar is, en evenmin gratis en voor niets.
Maar snappen doe ik het niet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.