In Noord-Amerika verhuizen professionele sportclubs geregeld om economische redenen van de ene stad naar de andere. Dat kan in de toekomst in Nederland ook, als voetbalclubs failliet gaan en gemeenten met een kostbaar stadion blijven zitten.
'Opnieuw heeft zich een Nederlandse gemeente gemeld in de stoelendans om de twee 'thuisloze' betaald-voetbalorganisaties. Wederom betreft het een gemeente die onlangs flink in de buidel heeft getast om haar voetbalstadion te verwerven en te moderniseren en nu door het faillissement van de plaatselijke profclub haar hoofdhuurder ziet wegvallen. Binnen enkele weken zal bekend worden naar welke gemeenten de twee zoekende licentiehouders, die in hun huidige thuisgemeenten onvoldoende bestuurlijke en financiële steun ontvangen, zullen verhuizen.'
Laat ik snel alle voetballiefhebbers geruststellen: dit persbericht is fictie. Voorlopig spelen de zesendertig profclubs nog gewoon in de gemeenten waar ze dat al jaren doen. Tenminste, als faillissementen uitblijven en voorzitter Scheringa van AZ zijn ooit geuite dreigement om bij onvoldoende Alkmaarse medewerking met z'n club te verhuizen naar een andere gemeente geen kracht bij zet.
Maar het bericht is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Gemeenten -niet alleen in Nederland- blijken steeds weer bereid aanzienlijke bedragen te investeren in voetbalstadions. Zo besloten de afgelopen weken de gemeenten Nijmegen en Breda om de thuisstadions te kopen van respectievelijk NEC en NAC. Het ging om 12 respectievelijk 15,7 miljoen euro. In dezelfde periode besloot de gemeente Groningen 15 miljoen euro uit te trekken voor de bouw van een nieuw stadion. En er zijn meer voorbeelden.
Aanleiding om de knip te trekken is meestal de slechte financiële situatie van de plaatselijke profclub. Dat de kapitaalinjectie steeds vaker niet rechtstreeks naar de club gaat, maar naar het stadion heeft twee redenen.
In de eerste plaats spelen hierbij financieel-bestuurlijke overwegingen. Overheden zijn risico-avers en geven daarom over het algemeen de voorkeur aan investeringen in voorwaardescheppende infrastructuur boven exploitatiesubsidies.
In de tweede plaats is er een zwaarwegend juridisch argument. De Europese Commissie is van mening dat betaald-voetbalorganisaties ondernemingen zijn waarvoor de reguliere mededingings- en staatssteunregels gelden. Dat betekent dat directe financiële steun vanuit gemeenten verboden is, omdat dit de concurrentie tussen de sportondernemingen beïnvloedt. Gemeentelijke financiering van stadions is onder bepaalde voorwaarden wél toegestaan. In het licht van de actuele discussie over de financiële problemen in het betaald voetbal is het interessant de relatie tussen club en stadion nader te beschouwen en te voorzien van een (sport)economische kanttekening.
Allereerst kan worden vastgesteld dat -hoewel er vanuit juridisch perspectief nadrukkelijk verschil bestaat tussen steunverlening aan een club of aan een stadion- dit onderscheid economisch gezien echter niet zo scherp is. Club en stadion vormen vanuit exploitatief opzicht een twee-eenheid. Een club heeft geen bestaansrecht zonder een stadion om haar thuiswedstrijden in te spelen.
Maar tegelijk kan een stadion onmogelijk z'n begroting rond krijgen zonder de inkomsten die het ontvangt van de thuisclub. Daarbij gaat het zowel om huuropbrengsten als om de consumptieve bestedingen van de bezoekende supporters. Zelfs grote multifunctionele stadions zijn niet in staat om te overleven op popconcerten en andere incidentele evenementen. Dit betekent dat een eventueel faillissement van een betaald voetbalorganisatie ernstige gevolgen heeft voor de exploitatie van haar thuisstadion.
Vanuit economisch perspectief is het dus begrijpelijk dat financiers van een stadion vaak geneigd zijn de helpende hand toe te steken wanneer de thuisclub (tijdelijk) in financiële problemen geraakt. Om kapitaalsvernietiging te voorkomen en perspectief te houden op enig rendement op hun investering is het essentieel dat de hoofdhuurder niet het loodje legt.
Daarnaast is het interessant om vast te stellen dat publieke stadionfinanciers op dit punt dus een probleem hebben. In tegenstelling tot private investeerders krijgen overheden van Brussel niet de ruimte om op deze manier hun investering in een stadion te 'beschermen'. Zij worden gedwongen lijdzaam toe te zien hoe de belangrijkste inkomstenbron voor hun stadions uitdroogt, waardoor de exploitatie van het stadion -niet alleen als voetbaltempel, maar ook als ruimte voor andere evenementen- in gevaar komt.
Dit roept vragen op over de strikte scheiding tussen de club als onderneming en het stadion als publieke zaak die door Brussel op dit punt wordt toegepast. Een nadere afweging van de juridische en (sport)economische argumenten die bij steunverlening aan het betaald voetbal een rol spelen lijkt dan ook op haar plaats. Een tweede les uit deze beschouwing van de nauwe exploitatieve relatie tussen stadion en club is dat steunverlening aan een stadion slechts beperkt 'veiliger' is dan directe financiële ondersteuning van een betaald-voetbalorganisatie.
Terug naar het eerder geschetste beeld van een dreigend faillissement van een club als hoofdhuurder van een stadion. Indien dat gebeurt, en een doorstart van de thuisclub is niet mogelijk, is er vanuit economisch perspectief veel voor te zeggen om desnoods een andere betaald-voetbalorganisatie te bewegen om te verhuizen naar het leegstaande stadion.
Hoe duurder het stadion, hoe eerder een jacht op een nieuwe betaald voetballicentie aan de orde lijkt om kapitaalvernietiging te voorkomen. Dat dit geen louter theoretische benadering is, wordt bewezen op de Noord-Amerikaanse sportmarkt. Met enige regelmaat verruilen professionele sportclubs daar de ene stad voor de andere, waarbij economische argumenten altijd de belangrijkste drijfveer vormen. Een dergelijke ontwikkeling lijkt voor ons land nauwelijks voorstelbaar.
Maar de kostbare stadionuitbreidingen en -renovaties die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden, de beroerde financiële situatie van een groot aantal clubs en de wettelijke steunbeperking dragen wel bij aan een situatie waarin bovenstaand persbericht op termijn realiteit kan worden. Want ook een euro is rond en kan raar rollen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.