Hoe staat het met alle plannen voor de leraar van de toekomst? De afgelopen jaren kwam het ene na het andere scenario ter tafel om het leraarschap een nieuwe impuls te geven. Ter afsluiting van de reeks 'Talent voor de klas' een rondgang langs resultaten.
Zet leraren net als artsen in een register: wie niet regelmatig zichzelf bijschoolt mag het beroep niet meer uitoefenen. Dat plan, jarenlang gekoesterd door diverse bewindslieden op onderwijs, is inmiddels van de baan. ,,Die aanpak is te veel top down, zoiets moet je niet centraal willen voorschrijven'', zegt Annet Kil van het Samenwerkingorgaan Beroepskwaliteit Leraren (SBL).
Het SBL is als agentschap van het ministerie, vakbonden en werkgevers in het onderwijs juist in het leven geroepen om zaken zoals het register te ontwikkelen. ,,Maar het belangrijkste doel is nu juist dat leraren in overleg met scholen zelf verantwoordelijk worden voor hun professionele ontwikkeling. Daarom komt er geen centraal register.''
Wel zal de nieuwe wet op het leraarschap een reeks algemene 'competentie-eisen' vaststellen. Zo moet een leraar 'het klaslokaal op een veilige, ordelijke en doelmatige manier kunnen inrichten'. Ook moet men ook 'op basis van observatie, testen en informatie van collega's ontwikkelings en/of gedragsproblemen van individuele leerlingen kunnen signaleren', een aangepast programma voor leerlingen kunnen opstellen, en 'een aandeel kunnen nemen in het schoolbeleid ten aanzien van onderwijsverbetering en schoolontwikkeling'.
Docenten moeten zich bijscholen om aan deze eisen te kunnen voldoen. Kil: ,,Iedere docent krijgt in de toekosmt een portfolio met daarin de eisen waaraan hij moet voldoen, een persoonlijk ontwikkelingsplan en de mogelijkheden om door te groeien''. Dat klinkt abstract, maar volgens Kil moet de leraar zelf de baas worden over zijn bijscholing. ,,Waarom zou ik precies dezelfde behoefte aan scholing hebben als driehonderd andere docenten net op die ene dag na de herfstvakantie? Dat kan ik als leraar wel zelf uitmaken. Als een docent zich niet wil bijscholen, kan de school als werkgever daar in de toekomst een punt van maken.''
De inhoudelijke vernieuwing van het leraarschap heeft een lange voorgeschiedenis. Bijna tien jaar geleden adviseerde de Commissie Toekomst Leraarschap met als voorzitter voormalig GroenLinks-politica Andrée van Es, scholen om te vormen tot moderne arbeidsorganisaties, compleet met nieuwe functies, meer variatie voor leraren en een grotere vrijheid in personeelsbeleid. Zo zou lesgeven weer leuk moeten worden. De nieuwe wet op het leraarschap gaat op zijn vroegst over een jaar in. ,,Het moet makkelijker worden om leraar te worden, om door te stromen in het onderwijs maar ook om er uit te stromen'', zegt Kil. ,,We moeten niet te huiverig zijn voor mensen die eruit willen. Als dat mogelijk wordt, zullen zich ook meer studenten voor het leraarschap aanmelden.''
In 2002 hielden de toenmalige minister Hermans en zijn staatssecretaris Adelmund een pleidooi voor de maatschap: net als artsen zouden leraren onderling kunnen samenwerken en zich 'verhuren' aan scholen. Deze variant, gelanceerd door voormalig topambtenaar en staatssecretaris Roel in 't Veld, is inmiddels mogelijk gemaakt. Leraren kunnen zich via een uitzendbureau aan scholen verhuren. Concrete maatschappen zijn nog niet bekend bij het ministerie. ,,Ik heb eens een werknemer op bezoek gehad die overwoog zichzelf te verhuren'', meldt hoofd personeelszaken W. Rovers van het Koning Willem I college voor mbo in Den Bosch. ,,Maar ja, toen hij hoorde dat hij dan uit dienst moest, schrok hij toch terug. Tja, in het onderwijs zijn ze nou eenmaal niet zo ondernemend.'' Rovers ziet het nut ook niet zo direct. ,,Wij moeten dan zo'n docent gaan inhuren voor een hogere prijs. En we moeten hem een bepaalde omzet garanderen, voor een uurtje doet iemand het niet. Ik zie die maatschap er niet snel van komen.''
In 2002 bepleitten zes directeuren van lerarenopleidingen - universitair en hbo - de komst van 'superopleidingen': op pakweg zes plaatsen in Nederland zouden Schools of Education moeten verrijzen. Daar zou iedereen die leraar wil worden, op elk moment terecht moeten kunnen. Dus niet langer de versnippering van pabo, tweedegraads opleidingen en universiteiten. Of afgestudeerden uiteindelijk met een hbo- of academische graad uit dat gebouw zouden komen, was minder van belang. De directeuren toonden zich in hun pam flet ook voorstander van het opleiden voor verschillende niveaus: van assistent tot decaan.
De landelijke superlerarenopleiding is er nog niet, erkent mede-ondertekenaar Toine van den Bogaart. ,,Hoewel ik in de plannen van minister Van der Hoeven om per regio het lerarentekort te bestrijden, wel een goede stap zie. Dat stimuleert samenwerking.'' Van den Bogaart zit ondertussen niet met de armen over elkaar: 'zijn' noordelijke Hogeschool Leeuwarden werkt vanaf afgelopen september intensief samen met de Groningse universiteit en drie grote scholen. ,,Een eerste stap in de richting van een School of Education, kun je zeggen.'' Bij wijze van experiment volgen 35 van de 190 studenten in het laatste jaar - hogeschool en universiteit - een iets andere opleiding, die deels is toegesneden op de wensen van de scholen. Hbo'ers volgen sommige vakken op de universiteit en andersom.
Als het experiment in 2002-2003 slaagt, gaan de noordelijke lerarenopleiders het in de toekomst uitbouwen tot een heuse superopleiding waar ook eerstejaars terecht kunnen en waar dus hopelijk meer aankomend leraren op afkomen. ,,Dat duurt nog wel even, maar je moet het niet overhaasten'', zegt Van den Bogaard. Maar de gevolgen kunnen drastisch zijn. ,,Ik denk dat op deze manier de beginnende leerkracht meer een brede specialist wordt, met verstand van nieuwe didactiek, computervaardigheden en speciale programma's voor leerlingen met een achterstand. Voor de uitvoering krijg je dan meer docenten in opleiding of onderwijsassistenten. Zo kweek je de leraar voor de toekomst.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.