Nieuwe feiten biedt het rapport van de parlementaire enquête over de val van Srebrenica nauwelijks. Weer doemt het trieste beeld op dat in eerdere rapporten werd geschilderd. Maar de commissie-Bakker uit scherpe kritiek aan het adres van de Dutchbat-leiding en de Nederlandse regering.
Dutchbat-luitenant Van Duijn ziet op de vroege ochtend van 13 juli twee dagen na de val van de enclave Srebrenica zijn kans. De Servische militairen slapen nog en Van Duijn helpt snel moslim-vluchtelingen, onder wie diverse mannen, de gereedstaande bussen in voor evacuatie naar het 'veilige' Tuzla.
De vluchtelingen ontsnappen zodoende aan de ruwe en opgefokte Serviërs die er flink op los slaan en de mannen eruit pikken. Luitenant Rutten, die de nacht tussen de doodsbange vluchtelingen heeft doorgebracht, protesteert later op de dag heftig tegen de medewerking van Van Duijn aan zijn inziens etnische zuivering van de enclave. ,,Je moet het die Serviërs zelf laten opknappen.'' Zijn advies: langs de kant zitten, waarnemen, namen noteren, feiten vastleggen. Niets doen.
De parlementaire enquêtecommissie Srebrenica, onder leiding van D66-kamerlid Bert Bakker, noemt dit in haar rapport het 'duivelse dilemma': meewerken om erger te voorkomen of niets doen en geen vuile handen maken.
Hoe kon het gebeuren dat Nederlandse militairen met zo'n afschuwelijk dilemma werden geconfronteerd zo ver van huis? Waarom moest de leiding van Dutchbat een keuze maken tussen de 25 000 vrouwen en het belang van hun mannen? Hoe kwam het toch dat de jongens en meisjes van het bataljon bikkelhard geconfronteerd werden met de schaduwzijde van een Nederlands humanitair beleid?
Voor de tweede keer probeert het parlement de komende maanden een finaal politiek oordeel te vellen over de Nederlandse betrokkenheid bij het drama Srebrenica. Dat oordeel dacht de Tweede Kamer enkele maanden na de val van de enclave al te kunnen geven. Dutchbat kon weinig doen aan die val, de Verenigde Naties faalden met hun safe havens, stelden de kamerleden in december 1995 vast in een 'afsluitend' debat. Vredesmissie mislukt, jammer maar helaas. Het boek Srebrenica kon worden gesloten, dacht Den Haag in een vlaag van lichtvaardigheid.
Nu blijkt dat pas zeven jaar later een enquêterapport - getiteld 'Missie zonder vrede' - als sluitsteen moet gaan dienen voor het nog altijd opborrelde Srebrenica-debat. Er kwam de afgelopen jaren geen einde aan. Minister Voorhoeve van defensie kreeg telkens nieuwe feiten voor zijn kiezen die hij moest uitleggen aan de Kamer. Er verschenen kritische boeken, zoals Endgame van de Amerikaan David Rohde, met analyses over de zwarte zomerdagen op de Balkan waar de Haagse politici geen benul van hadden.
Toen het Binnenhof inzag dat de kwestie in december 1995 niet was afgesloten, besloot de politiek in 1996 om eerst maar eens tijd te winnen: een uitgebreid historisch-wetenschappelijk onderzoek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod, thans Niod) moest alle feiten op een rij zetten. In die lange jaren van Niod-onderzoek verscheen tussendoor ook nog een rapport van commissaris van de koningin Van Kemenade, die vaststelde dat de landmachttop had geklungeld, maar niet bewust had gelogen over de fouten rond Srebrenica.
Ook dat leidde tot nieuwe kamerdebatten. Maar het wachten was toch op de Moeder aller Rapporten, van Niod-directeur Blom. Het duizenden pagina's tellende 'Srebrenica, een veilig gebied' verscheen in april 2002. Het was zo dik en omstandig dat alleen een paar specialisten uit de wereld van vrede en veiligheid het van kaft tot kaft hebben gelezen.
Premier Kok en alle paarse ministers traden enkele dagen na het verschijnen van dit Niod-rapport dan wel af, maar vreemd genoeg kwam de Tweede Kamer zelfs na deze dramatische stap van het kabinet niet toe aan een afsluitend Srebrenica-debat. Demissionair premier Kok weigerde inhoudelijk met het parlement te praten over de sombere zomerdagen van 1995 omdat hij het getuigenverhoor voor de enquêtecommissie-Bakker nog voor de boeg had en zijn kruit niet in het parlement wilde verschieten.
Het gisteren verschenen rapport-Bakker bevat geen wezenlijk nieuwe feiten over de inval van de Servische troepen van generaal Mladic, de houding van de Nederlandse VN-militairen, de VN-leiding op de Balkan en de Haagse ministers in crisis. Dat kon ook moeilijk nadat alle andere rapporten het gras voor de enquêtecommissie wegmaaiden. ,,Geen nieuwe feiten, het gaat nu meer om de waardering en het begrip voor de feiten'', zegt Bakker.
Politiek pikant is dat de nieuwe waardering van oude feiten afwijkt van de conclusie die premier Kok trok bij zijn aftreden. Kok stelde na het Niod-onderzoek vast dat Nederland geen schuld heeft aan de massamoord. De schuld zou puur liggen bij de Servische troepen. Tot zover volgt de commissie-Bakker de PvdA-premier. Maar naast schuld is er verantwoordelijkheid. Kok redeneerde dat die verantwoordelijkheid ligt bij de complete internationale politiek, de VN. Toch besloot hij af te treden omdat de internationale gemeenschap nu eenmaal niet kan opstappen, maar de Nederlandse regering als deel van die gemeenschap wél. De commissie-Bakker scherpt dat iets aan door de vaststelling dat Koks aftreden volkomen terecht was, juist omdat ook de Nederlandse regering zelf een grote verantwoordelijkheid had voor het Srebrenica-debacle.
Als de complete Tweede Kamer dat laatste ook vindt, rijst de vraag of deze eigen Nederlandse verantwoordelijkheid moet leiden tot een ondubbelzinnig Nederlands excuus aan de nabestaanden van Srebrenica, dat tot nu toe is uitgebleven. Het demissionaire kabinet-Balkenende maakte daartoe gisteren in een eerste reactie nog geen aanstalten. Daarover kan nog politiek vuurwerk ontstaan.
Voor de rest bevat het afsluitende Srebrenica-debat nauwelijks voetzoekers. Uit de donderdag te beëdigen nieuwe Tweede Kamer zijn de laatste oude rotten van de zomer van 1995 verdwenen. En de betrokken ministers Lubbers, Kok, Pronk, Kooijmans, Ter Beek, Van Mierlo en Voorhoeve zitten niet in Vak K om het eindoordeel van het parlement aan te horen.
Alleen demissionair minister De Hoop Scheffer van buitenlandse zaken, destijds CDA-kamerlid en mogelijk opnieuw minister, en het VVD-kamerlid Frank de Grave (oud-minister van defensie die ingreep tegen zwijgzame generaals) hebben nog persoonlijke betrokkenheid als de nieuwe garde parlementariërs het boek opnieuw probeert te sluiten. Het kan makkelijk een 'finaal debat' worden dat als een nachtkaars uitgaat. Iedereen in Den Haag hoopt dan wel dat de kaars echt uit is.
Bakker zelf vindt het niet zo'n punt dat het enquêterapport geen baanbrekende nieuwe feiten bevat. Hij hamerde er gisteren op dat juist de openbare verhoren van vorig jaar zo belangrijk waren: eindelijk was er de gelegenheid voor militairen en politici om 'publiekelijk verantwoording' af te leggen.
Dat is ook precies waar de militairen van Dutchbat jarenlang om hebben gevraagd. Zij verwachtten dat in de openbaarheid van een enquête - verhoren onder eed - het falen van de politici automatisch zou worden aangetoond. Dezelfde Dutchbatters toonden gisteren nauwelijk belangstelling voor de voorlichtingsbijeenkomsten in het land over het Bakker-rapport.
Het optreden van de derde lichting Dutchbat-soldaten wordt opnieuw gefileerd door de enquêtecommissie. Weer rijst het beeld van een onmogelijke opdracht in een afgelegen geïsoleerde enclave die onmogelijk te verdedigen viel. Zwaardere wapens hadden de te kleine ploeg Nederlanders niet kunnen helpen. De eindconclusie luidt opnieuw dat de gewone blauwhelmsoldaat niets valt te verwijten, maar hun commandanten maakten in de paniek van de oorlog wel enkele fouten.
De Dutchbat-commandant Karremans en zijn plaatsvervanger Franken realiseren zich in 1995 niet hoe genadeloos de Servische militairen zijn als zij onder leiding van bevelhebber Mladis de enclave overrompelen. Dutchbat is op geen enkele wijze voorbereid op de opvang van tienduizenden vluchtelingen. De leiding heeft nagelaten een plan van aanpak op te stellen voor zo'n situatie, verwijt de parlementaire onderzoekscommissie: ,,Er is sprake van een totale onderschatting van het kwaad''. Door het ontbreken van een plan worden er geen heldere instructies gegeven door Karremans en Franken. Dutchbatters improviseren, zoals Van Duijn, bij het begeleiden van de vluchtelingen naar de bussen.
De commissie roept de vraag op of de leiding niet meer vluchtelingen op de compound had moeten toelaten dan de 5000 moslims, zoals IKV-secretaris Mient-Jan Faber steeds heeft benadrukt. Er was voldoende ruimte, stelt de commissie vast. De pantserwagens van Dutchbat konden makkelijk manoeuvreren op de compound en er was ruimte gereserveerd voor het betrekken van gevechtsposities, terwijl de blauwhelmen militair al waren uitgeschakeld. ,,Misschien hadden de Dutchbat-militairen zich als menselijk schild moeten opstellen tussen de vluchtelingen en de Servische militairen'', zo concludeert de enquêtecommissie.
De bataljonsleiding had ,,behoren te overwegen'' de compound open te stellen voor alle vluchtelingen. Die afweging is niet gemaakt, stelt de commissie-Bakker vast, waarbij aan toegevoegd wordt dat in zo'n geval de Serviërs wellicht de enclave onder vuur hadden genomen, met alle afschuwelijke gevolgen van dien. Het had dus goed en fout kunnen uitpakken.
Kortom: een duivels dilemma, dat zich diverse malen zou voordoen in de dagen na 11 juli. Majoor Franken stuurde de moslimmannen van de compound, omdat hij koos voor de vrouwen en kinderen. Dat waren er niet slechts een 'handjevol', zoals Karremans aanvankelijk Den Haag en Sarajevo meldde. Deze onduidelijke mededeling, zo kritiseert de commissie de commandant, zette zijn meerderen in Sarajevo, Zagreb en Den Haag op het verkeerde been.
De moslimmannen die er wel waren (Franken schatte voorzichtigheidshalve 600 à 700) kregen geen extra bescherming van Dutchbat, terwijl hun toekomst zeer ongewis was. Het ging uiteindelijk om zo'n tweeduizend mannen in en rond de com pound van wie de meesten later zijn omgekomen.
Ook krijgt Karremans het verwijt onvoldoende aan de bel te hebben getrokken toen hij of zijn ondergeschikten informatie kregen over moordpartijen door de Bosnische Seviërs. Als er beter was gecommuniceerd, met Den Haag en Sarajevo, hadden opties kunnen worden ontwikkeld voor een betere bescherming van de moslimmannen, vindt Bakker c.s. Aan de andere kant kreeg Karremans ook te algemene instructies van zijn VN-bazen, van daadwerkelijke ondersteuning was geen sprake.
Toch worden de leden van Dutchbat geprezen (niet Dutchbat als geheel) voor hun inzet in de nadagen van de enclave: ,,Zij hebben onder zeer moeilijke omstandigheden grote inzet en compassie getoond bij de begeleiding en bescherming van de vluchtelingen''. Dutchbat draagt ook geen verantwoordelijkheid voor de scheiding van mannen en vrouwen; die komt geheel voor rekening van de Servische veroveraars, luidt een andere conclusie.
Over het duivelse dilemma, waarin de luitenants Van Duijn en Rutten tegen hun wil figureerden, velt de commissie geen oordeel. De twee officieren handelden, ieder op zijn beurt, op eigen initiatief vanuit 'integere overwegingen' veroorzaakt door gebrekkige instructies van de bataljonsleiding en de VN-bevelhebber in Sarajevo. Deze integere afweging brak Van Duijn later op toen hij solliciteerde bij de Koninklijke Marechaussee. Hij werd in een volgens de commissie onbehoorlijk verlopen sollicitatieprocedure afgewezen vanwege zijn handelen in Srebrenica. Later werd die afwijzing teruggedraaid. Van Duijn dient nu toch bij het wapen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.