Kolonel: Hallo.
Kapitein: Hallo.
Kolonel: Hallo.
Kapitein: Kan ik iets voor u doen, meneer?
Kolonel: Wie is daar?
Kapitein: Kapitein Ibrahim, meneer.
Kolonel: Kapitein Ibrahim, hoe gaat het met u?
Kapitein: God zegene u, meneer.
Kolonel: Hoe is het met uw gezondheid?
Kapitein: Moge God u behoeden.
Kolonel: Hoe gaat het met u?
Kapitein: Goed, gode zij dank, meneer.
Kolonel: Kapitein Ibrahim.
Kapitein: Ja, meneer.
Kolonel: Schrijf dit op.
Kapitein: Ja, meneer. (Pauze)
Kapitein: Hallo?
Kolonel: Hallo?
Kapitein: Gaat uw gang meneer.
Kolonel: Hallo, Ibrahim?
Kapitein: Ja, meneer?
Kolonel: Kapitein Ibrahim?
Kapitein: Ik hoor u, meneer.
Kolonel: Verwijder.
Kapitein: Verwijder.
Kolonel: De term.
Kapitein: De term.
Kolonel: Zenuwgassen.
Kapitein: Zenuwgassen.
Kolonel: Waar ze ook maar opduikt.
Kapitein: Waar ze ook maar opduikt.
Kolonel: In de draadloze instructies.
Kapitein: In de instructies.
Kolonel: Draadloze.
Kapitein: Draadloze.
Kolonel: Oké, vriend?
Kapitein: Het is al gedaan, meneer.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.