Zelfs psychiatrisch patiënten die nu op gesloten afdelingen zitten, kunnen soms beter in dagbehandeling. Psychiater Lowijs Perquin ontwikkelde een eenvoudige scorelijst om te onderzoeken of dat veilig en haalbaar is.
AMSTERDAM - Hemel en aarde hebben ouders, broers of zussen bewogen om een familielid in een psychiatrische crisis het ziekenhuis in te krijgen.
Zelf zijn ze na ettelijke doorwaakte nachten bekaf, bang dat hun naaste brokken maakt of zelfmoord pleegt. En dan zegt de behandelend arts al na een paar dagen dat de patiënt wel weer thuis kan slapen.
,,We moeten onderhandelen met de familie, met hen bespreken of het kan'', zegt psychiater Lowijs Perquin. ,,En de familie moet de kans krijgen uit te leggen waarom het níet kan.''
Perquin (52) was eind jaren '80 één van de eerste psychiaters die, naar Amerikaans voorbeeld, begonnen met dagbehandeling voor patiënten die tot dan dag en nacht in de kliniek verbleven. Juist in de eerste weken deden zich enkele ernstige incidenten voor. Een patiënt belandde na een overdosis medicijnen in een coma, een ander stak de portier met een mes. De behandelaars werden huiverig, herinnert Perquin zich: ,,We hebben een tijdlang de rem erop gezet en alleen de drie of vier 'beste' patiënten in dagbehandeling genomen.''
De patiënten die tijdens een acute psychiatrische crisis worden opgenomen, hebben vaak een schizofrene stoornis. ,,Ze horen stemmen, verwaarlozen zichzelf, doen gevaarlijke dingen of zelfmoordpogingen'', schetst Perquin. Bij hem komen verder mensen met een zware depressie, manisch-depressiviteit of angststoornissen. Vroeger bleven ze weken- of maandenlang, de eerste tijd vaak op een gesloten afdeling. Maar na de start kwam al in 1991 de helft in dagbehandeling, meestal binnen een dag of tien na een crisisopname. Dat aandeel is stabiel gebleven.
Wel bleek een minder intensieve dagbehandeling mogelijk. De patiënten kwamen eerst vier of vijf dagen. Steeds vaker hoeft dat nog maar halve dagen, of zelfs anderhalf uur. Ze voeren individuele of groepsgesprekken -over medicijnen, plannen maken voor het weekeinde, of omgaan met buren-, of gaan naar een kook- of ontspanningsgroep. Zonodig kunnen ze dag en nacht op het ziekenhuis terugvallen.
Patiënten in dagbehandeling blijken sneller op te knappen, de kans dat ze snel weer worden opgenomen daalt iets, de kans dat ze hun baan weten te houden is groter, en zowel zij als hun familieleden zijn tevredener over de behandeling. De totale behandeling is korter én goedkoper.
,,IJzersterke argumenten om het te doen'', vat Perquin samen.
Maar wie kan naar huis en wie (nog) niet? Om die vraag te beantwoorden, vergeleek Perquin patiënten bij wie dagbehandeling was geslaagd met patiënten bij wie het minder goed had uitgepakt. Aanvankelijk deed hij dat aan de hand van 174 kenmerken. Daar destilleerde hij uiteindelijk negen goede voorspellers uit voor het slagen van dagbehandeling. Zoals 'zelfverzorging': wel of niet douchen, tafelmanieren. Of 'oordeel/inzicht': ziektebesef, de bereidheid medicijnen te slikken. Veelzeggend blijken ook inkomen, burgerlijke staat en woonafstand tot de kliniek.
Met deze handzame 'scorelijst' -de kern van het proefschrift waarop Perquin over twee weken promoveert- toog de psychiater naar een psychiatrisch ziekenhuis in Noord-Holland. ,,Dertig procent van de mensen op een gesloten afdeling kon volgens ons beter in dagbehandeling'', concludeert hij stellig. ,,Die zitten nu letterlijk achter slot en grendel, waar ze de hele dag met gekte worden geconfronteerd.'' Van de patiënten op een open afdeling kon naar Perquins maatstaven de helft weer thuis slapen. In een ander ziekenhuis, in Amsterdam-Noord, gold hetzelfde voor bijna één op de drie patiënten.
Opvallend is dat het betreffende ziekenhuis in Noord-Holland wel een dagbehandeling heeft. Daar komen mensen met eetstoornissen, dwangklachten of levensproblemen, legt de psychiater uit: ,,Mensen die bij ons eens in de twee weken voor een gesprek van een halfuur naar de polikliniek komen.'' Hij laat een staatje in zijn proefschrift zien waarop hij dagen heeft gezwoegd. Daarin vergelijkt hij de opgenomen patiënten in de Valeriuskliniek met de landelijke cijfers. Gemiddeld zit meer dan de helft van de patiënten in een kliniek wegens neurotische stoornissen door rouw of echtscheiding, eenmalig door het lint gaan of een relatief lichte depressie. In de Valeriuskliniek valt slechts 17 procent van de patiënten in deze 'lichte' categorie.
Zo kan het elders ook, is de overtuiging van Perquin. Waarom dat nog lang niet genoeg gebeurt? Een kwestie van training en ervaring, schat hij in, en vooral ook durf.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.