*

 

Europees president geeft unie te veel gezichten

Ton van den Brink − 07/02/03, 00:00

De Europese Unie heeft geen behoefte aan een president. Europa heeft al een voorman in de voorzitter van de Europese Commissie. En het mooie is dat die wordt gecontroleerd door het democratisch gekozen Europees Parlement.

In het kader van de discussie over de toekomstige structuur van de Europese Unie hebben de Duitse bondskanselier Schröder en de Franse president Chirac voorgesteld een Europese president als nieuw ambt te creëren. Met een 'Europese' bril op lijkt dit voorstel een sympathieke bijdrage aan de discussie, maar is dit in wezen niet. Als de unie een gezicht moet krijgen, zal dit gezicht dat van de voorzitter van de Europese Commissie moeten zijn.

Een Europese president zou de Europese Unie naar de burger en andere landen, zowel letterlijk als figuurlijk, een gezicht geven. Zoals de Nederlandse minister-president in de Nederlandse politieke constellatie een heel duidelijke plek inneemt, zou dit ook voor een president op Europees niveau kunnen gelden. Als we het hebben over een 'president van Europa' ligt de vergelijking met de Amerikaanse evenknie voor de hand, inclusief het feit dat hij rechtstreeks door het Amerikaanse volk gekozen wordt. De daardoor gecreëerde legitimiteit van het ambt en de aan het ambt gekoppelde ruime bevoegdheden maken hem de machtigste man van de Verenigde Staten.

De Franse en Duitse regering hebben voor de Europese Unie echter een geheel andere president voor ogen. In de eerste plaats zal de Europese president in hun voorstel niet rechtstreeks worden gekozen door de Europese burgers, maar worden benoemd door de regeringsleiders en staatshoofden van de lidstaten van de Europese Unie. De betrokkenheid van de Europese burger bij de benoeming van de Europese president zal dus nihil zijn en zijn benoeming zal er bepaald niet aan bijdragen dat de Europese Unie als onderwerp gaat leven bij de burger. Vaak wordt er geklaagd dat de burger zo weinig interesse toont in 'Europa', maar hier zien we dus dat de lidstaten daar ook zelf verantwoordelijk voor (kunnen) zijn.

Ook de beoogde bevoegdheden van de president zijn niet te vergelijken met die van zijn Amerikaanse collega. In de eerste plaats zou de president de vergaderingen van de Europese regeringsleiders moeten voorbereiden en voorzitten en vervolgens toezien op de uitvoering van de genomen besluiten. In de tweede plaats zou de president naar buiten toe de EU moeten vertegenwoordigen. Deze tweede bevoegdheid lijkt het meeste diepgang te hebben, maar op dat vlak is de president zeker niet de enige speler.

Een eventuele president zou op dat vlak dan ook kunstig moeten laveren tussen de Europese Commissie en met name de voorzitter daarvan die de bevoegde autoriteit op het gebied van de handelspolitiek is, en de gezamenlijke ministers van buitenlandse zaken die bevoegd zijn ten aanzien van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, waar de buitenlandcoördinator Javier Solana het gezicht van is. Daarnaast spelen de lidstaten ook nog eens afzonderlijk een rol op dit terrein, hetgeen kortgeleden nog maar weer eens duidelijk is geworden in de brief van enkele lidstaten ter ondersteuning van de Verenigde Staten in de kwestie- Irak. Zo bezien is het probleem van de Europese Unie niet het gebrek aan 'gezicht', maar eerder het teveel aan gezichten.

Het voorstel van Frankrijk en Duitsland is bekend komen te staan als het voorstel voor een Europese president. De conclusie uit het voorgaande mag echter wel zijn dat het ambt uit het voorstel die naam niet waardig is en zelfs verwachtingen schept die niet waargemaakt kunnen worden.

Eigenlijk is de president in het Frans-Duitse voorstel al niet veel meer dan de door Eimert van Middelkoop voorgestelde secretaris-generaal (Podium, 31 januari), of in zijn worden 'stadhouder'. Het voorstel dat op het eerste oog een constructieve bijdrage lijkt aan de discussie over de toekomstige structuur van de Europese Unie en dat het Europese belang lijkt te dienen, doet in wezen het tegenovergestelde.

De vraag die dan rijst, is of we überhaupt wel een Europese president moeten willen. Een eerste opmerking in dat verband betreft het feit dat we in de persoon van de voorzitter van de Commissie al iets van een 'Europese president' hebben. Dan moeten we gaan oppassen dat we geen twee kapiteins op één schip creëren.

Vanuit een Nederlandse invalshoek ligt het veel meer voor de hand om een belangrijkere rol toe te kennen aan de voorzitter van de Europese Commissie, dan met het Frans-Duitse voorstel mee te gaan. De commissie wordt immers geacht onafhankelijk te zijn en het belang van de unie als geheel te dienen en niet de belangen van de lidstaten. De voorzitter van de commissie loopt dan ook veel minder het risico speelbal te worden van met name de grote lidstaten, dan de door Frankrijk en Duitsland voorgestelde president. Het belang van kleine(re) lidstaten is om die reden in veiligere handen van de commissie. De Nederlandse regering is dan ook terecht een voorstander van een sterke commissie.

Hoewel ook de Europese Commissie en haar voorzitter niet rechtstreeks door de burgers gekozen worden, staat zij wel onder directe controle van het Europees Parlement. Daardoor komt het democratisch aspect beter tot zijn recht dan in het Frans-Duitse voorstel. Een duidelijker en zichtbaarder rol van de voorzitter van de commissie en uiteindelijk de ontwikkeling van deze voorzitter tot de ware president van de Europese Unie, is dus te verkiezen.

Dit is een ambitieus voorstel, omdat de lidstaten een stapje terug zullen moeten doen. Wellicht is het daarom op dit moment niet haalbaar, maar dat hoeft niet verontrustend te zijn. De geschiedenis van de Europese integratie heeft laten zien dat de ideeën die vandaag ondenkbaar zijn, morgen al realiteit kunnen zijn.

mailIcon print |