*

 

Klein

Marja Rietveld − 20/01/03, 00:00

Als peuter woonde ik in een gigantisch huis. De tuin was een grote grasvlakte en de straat waar ik aan woonde een brede avenue. Toen ik jaren na de verhuizing terugkwam, was de immense schutting gekrompen tot een laag tuinhekje. In plaats van een Amerikaanse oprit liep er een klein paadje van het poortje naar de voordeur. De enige auto die daarover kon rijden, was de Bobbycar van mijn broer geweest. Tot mijn twaalfde heb ik er weinig van gemerkt. Pas toen mijn klasgenoten in de puberteit een groei spurt kregen, viel het op: ik was klein. En ik bleef klein.

Nu de anderen groot zijn, kom ik er achter dat het best lastig kan zijn als kleintje door het leven te gaan. Vind bijvoorbeeld maar eens een broek waarvan de pijpen niet over de grond slepen. Als je zo'n broek vindt mag je er zuinig op zijn; een te hoog hekje en daar gaat-ie. Dat ik bijna nooit een lange rok draag, is niet vreemd. Na een paar keer struikelen pas je je garderobe wel aan. Of zoek eens een stoel uit. Je mag kiezen tussen met je rug tegen de leuning zitten, of met je voeten op de grond. Boodschappen doen is ook al zo leuk. De hoogste schappen blijven onbereikbaar.

Maar het heeft ook voordelen om klein te zijn. Zo hoef ik in de trein nooit zelf mijn zware tas in en uit het bagagerek te laden, want daar kan ik niet bij. De meewarige blikken van twee meter lange jongens negeer ik gewoon. Ik kan er tenslotte niets aan doen dat ik zo klein ben.

In de maakbare samenleving doe je wat aan je lengte, zoals het meisje dat een paar jaar geleden haar benen liet verlengen. Ze was niet klein, maar voor een fotomodel was ze net niet groot genoeg. Reden om onder het mes te gaan. Dan blijf ik liever Senecaans in mijn opvatting dat mijn lengte bepaald is door het lot. En vooruit, ook door mijn genen. Ik maak er geen probleem van. Ik ben tenminste een van de weinige studenten die in een zeer riante kamer woont. En die zal niet zo krimpen als mijn vroegere huis.

mailIcon print |