*

 

... werd Thorbecke met de dood bedreigd

Remieg Aerts − 20/01/03, 00:00

Soms lijkt het verleden een vreemde cultuur, en soms zijn de dingen van vroeger maar al te herkenbaar. De negentiende eeuw is ons tamelijk vreemd geworden. Wij vinden de hoge hoeden, vadermoorders en neepmutsjes van toen stijf, het standsbesef een beetje belachelijk. Die tijd was fatsoenlijk, beschaafd en deftig - termen die in onbruik zijn geraakt, maar die we ons nu voorzichtig beginnen te herinneren. De negentiende eeuw duurde tot de jaren 1950; daarna werd alles anders.

Wie wil, kan de politieke gebeurtenissen van 2002 duiden als de uitkomst van de emancipatie, de assertiviteit en de emotiecultuur waarmee wij onszelf sinds de jaren zestig gefeliciteerd hebben. Zijn de omgangsvormen niet bedenkelijk verruwd? Heeft het degelijke Nederland van Drees, Lubbers en Kok zich met zijn LPF-hype, zijn kogelbrieven en zijn politieke moord niet internationaal te kijk gezet als een bananenmonarchie?

Nee, dan de negentiende eeuw, de tijd van grote staatsmannen als Thorbecke en Groen van Prinsterer: toen gebeurden zulke dingen niet. Ja, in het woelige buitenland. De Amerikaanse president Lincoln stierf in 1865 door moordenaarshand, de Russische tsaar Alexander II werd in 1881 opgeblazen en de Franse president Carnot vond in 1894 de dood door kogels van een Italiaanse anarchist.

Maar in Nederland?

Grote emoties deden zich zelden voor. Het stemrecht was in handen van een kleine gezeten bovenlaag van de bevolking. Politieke verslaggeving bestond nog nauwelijks. Het parlement was een deftige debating society voor heren van stand. De Haagse politiek was voor de meeste mensen ver weg. Zij hadden weinig reden zich ermee bezig te houden.

Maar zo verheven en rustig was het nou ook weer niet. Al in de negentiende eeuw klonk de klacht dat in het parlementaire debat menigmaal 'de grenzen der betamelijke welvoeglijkheid' overschreden werden. Er vielen persoonlijke beledigingen, er werd gefloten in de Kamer en volksvertegenwoordigers riepen 'stemmen, stemmen' als de eindeloze behandeling van een wetsvoorstel hen begon te vervelen.

En het kon nog erger. Uit het recent verschenen zevende en laatste deel van de briefwisseling van J.R. Thorbecke, uit de jaren 1862 tot 1872, blijkt dat de liberale leider een aantal keren met de dood bedreigd is.

De eerste keer in 1863. In dat jaar werd gevierd dat Nederland vijftig jaar eerder zijn onafhankelijkheid had herwonnen, na de Franse bezetting. Nou ja, gevierd: de herdenking leverde vooral controverses op. Antirevolutionairen en hervormde predikanten huldigden in '1813' de terugkeer van het Nederlandse volk tot God en Oranje, na het diepe verval van de revolutietijd. Liberalen daarentegen waardeerden in '1813' het begin van het constitutionele bestel, dat in 1848 zijn bekroning kreeg.

De regering-Thorbecke stelde voor als monument een Paleis voor de Staten-Generaal te bouwen. Tegenstanders keken Thorbecke erop aan, maar in feite was het voorstel afkomstig van koning Willem III, toch bepaald geen liberalenvriend.

Op 17 november 1863 zou er in de Koninklijke Hollandse Schouwburg in Den Haag een gala-avond plaatsvinden. In de voorafgaande weken ontving Thorbecke anonieme briefjes van iemand die hem met toespelingen op de moord op Caesar en op de gebroeders De Witt waarschuwde voor een aanslag:

'Excellentie!

Wees voorzichtiger dan Julius Caesar

Let op Spurina en Calpurnia

Want de Tichelaars leven nog.'

Ook spraken onbekenden op straat de dochters van de minister aan met de boodschap dat de Thorbeckes Den Haag beter konden verlaten. Na de galavoorstelling zou er op de staatsman worden geschoten. Thorbecke deed of de dreiging hem onberoerd liet. ,,Wij zijn in Gods hand. Hij zal mijne liefsten beschermen', schreef deze overtuigde lutheraan geruststellend aan zijn zoon. Maar van zijn vrouw weten wij dat Thorbecke zich wel degelijk zorgen maakte. Toch nam hij de zeventiende november zijn dochters mee naar de gala-avond. Bij het verlaten van de schouwburg stond er een grote menigte buiten. In een volkomen stilte reed het rijtuig voor. En er gebeurde - niets.

Van wie de bedreigingen en waarschuwingen afkomstig waren, is onbekend gebleven. Maar tussen de bomen in de omgeving van Thorbeckes woning glinsterden in het donker de uniformen van de soldaten die de minister van defensie daar had laten posteren. Zo serieus werd de zaak kennelijk wel genomen. Op straat werd Thorbeckes onschuldige wandelstok voor een degenstok aangezien.

Hij kon imponeren, de controversiële regeringsleider. Toen de liberale regering in 1864 voorstelde bij grote openbare werken ook buitenlandse concurrentie toe te laten, verzamelde zich een woedende menigte voor het Torentje, die bedreigingen uitte. Thorbecke verscheen in de deuropening, maande tot stilte en verzocht de demonstranten rustig weg te gaan. Daarna kuierde hij met zijn vrouw, die ongerust naar het Torentje was gekomen, naar huis.

Weinig onderwerpen zijn geschikter om de gemoederen te verhitten dan de belastingen. In 1872 leidde Thorbecke voor de derde keer een liberaal kabinet. Hervorming van het onsamenhangende belastingstelsel was al decennialang aan de orde. Daarom waagde eerst minister van financiën Van Bosse, in 1870, en daarna zijn opvolger Blussé zich aan een wetsvoorstel voor een inkomstenbelasting. De plannen kwamen niet van Thorbecke, maar als regeringsleider ontving hij het volgende curieuze dreigbriefje:

'Thorbecke

Geen inkomstenbelasting of gij dood denk daarover na

+++

de 13 letten op u

wij mogen niet anders'

Veel effect zal dit geheimzinnige gekrabbel niet meer op de oude liberale leider gehad hebben. In mei 1872 werd hij ziek. Op 4 juni 1872 overleed hij, rustig, in bed. De inkomstenbelasting is er gekomen. Van een Paleis voor de Staten-Generaal is nooit meer iets vernomen.

mailIcon print |