'De man beweerde dat hij altijd zei wat hij dacht. En dat hij altijd deed wat hij zei. Hij oogstte daar bewondering mee, ook al was het een afgrijselijke uitspraak. Mensen kunnen niet samenleven wanneer zij altijd zeggen wat zij denken. Zonder de hypocrisie van de omgangsvormen, de hypocrisie van de beleefdheid en de hypocrisie van het sociale geveins, kan geen enkele gemeenschap functioneren.' Gisteravond hield de schrijver Leon de Winter een 'donderpreek' op het festival Winternachten in Den Haag.
In het najaar van 2001, zes maanden voor de verkiezingen van de Tweede Kamer van 2002, leek er nog niets aan de hand te zijn. Op 8 november van 2001 maakte het NIPO bekend dat het volk middels een peiling geraadpleegd was en de conclusie luidde dat Paars kon worden voortgezet: de PvdA zou 41 zetels scoren, de VVD 42 zetels en D66 9, genoeg voor een comfortabele meerderheid in het parlement. Het CDA werd door het volk niet meer dan 26 zetels gegund en de SP en Leefbaar Nederland speelden weliswaar mee, maar uitsluitend in de marge.
Wie de peilingen van dat laatste kwartaal van 2001 overziet, kan niet anders dan de bewondering delen van de journalisten van The Economist, een van de meest gezaghebbende politiek-economische weekbladen in de wereld, die vlak voor de verkiezingen van 2002 in Nederland nog steeds een lichtend voorbeeld voor de mensheid ontwaarden. Dat Paarse model werkt, schreven ze bewonderend. Lage werkloosheid, grote sociale rust, een hoog ontwikkelde bevolking, uitstekende groeikansen en een perfect investeringsklimaat voor internationale ondernemingen. Misschien zijn we het vergeten, maar we gloeiden even van trots. Niet lang, want trots is voor de meeste Nederlanders een verdachte gemoedsaandoening.
Voor het einde van 2001 moet zich in ons land een ramp hebben voltrokken. Want een groot deel van ons volk raakte zo geslagen, getergd, vernederd, verarmd en uitgehongerd, dat een valse relnicht zich kon aandienen als de nieuwe messias. De man hamerde onophoudelijk op het gevaar dat de Paarse landverraders, als hij nu niet direct en radicaal ingreep, het land onder water dreigden te zetten.
Deze messias schreef een boek om zijn gelijk te staven. Het viel niet te ontkennen dat ons land niet alleen een nieuw mobieltje of een widescreen tv-toestel met een platte beeldbuis kon gebruiken, maar ook de publieke vrijheid om de problemen te bespreken die Paars, al of niet in bewuste samenspraak met de progressieve media, op zolder had verborgen. Problemen die de populariteit van Paars tot dat moment niet hadden aangetast.
In zijn boek had de messias het over puinhopen. Hij overdreef schromelijk. Het NIPO toonde maand na maand aan dat het volk, ondanks de taboes en de knellende problemen in het onderwijs, de gezondheidszorg en de openbare veiligheid, tevreden knorde. Niet eerder in de geschiedenis van ons land hadden zovelen het materieel zo goed gehad. Niet eerder in de geschiedenis van Nederland konden zoveel burgers rekenen op rechtsgelijkheid, sociale zorg, behoorlijk onderwijs, vrije dagen en verre vakantiereizen. De toenmalige regeringscoalitie beschikte over 97 kamerzetels, en de NIPO-peilingen van eind 2001 leverde voor de coalitie in september 92, in oktober 93 en in november opnieuw 92 zetels op. Na acht jaar regeren kon deze coalitie verwachten dat bijna tweederde van het electoraat nog immer vertrouwen in haar had. Een onvoorstelbaar succes leek het gaan te worden. Voor bewuste trots hadden we The Economist helemaal niet nodig gehad.
Opeens stond daar de messias. Hij wilde ons land ervan overtuigen dat het gedurende de jaren negentig in een bananenmonarchie was veranderd. Bedreigend voor de status quo van de coalitie was dat allemaal nog niet. De kale messias was een beetje een opgewonden, verdrietige man, een rancuneuze man zelfs die zich in een glanzende Daimler door een chauffeur liet vervoeren, die in plaats van valse pitbulls twee afstotelijke schoothondjes liefkoosde en met zijn kleding, vervoermiddel en woning het beeld wilde oproepen van de decadente homoseksuele intellectueel uit het verre fin de siècle van de negentiende eeuw. Uitgerekend deze a-sociale maar bevlogen en megalomane man beweerde dat hij de machtige en succesvolle machine van Paars tot stilstand ging brengen. Dat was ondenkbaar.
De man beweerde dat hij altijd zei wat hij dacht. En dat hij altijd deed wat hij zei. Hij oogstte daar bewondering mee, ook al was het een afgrijselijke uitspraak. Mensen kunnen niet samenleven wanneer zij altijd zeggen wat zij denken. Zonder de hypocrisie van de omgangsvormen, de hypocrisie van de beleefdheid en de hypocrisie van het sociale geveins, kan geen enkele gemeenschap functioneren.
De messias was opgeleid als socioloog, getraind als 'debater' in de roerige jaren zestig en zeventig, en gelouterd door zijn ervaringen in de 'dark rooms' van homoclubs, universiteiten en overheidsorganen. Hij was begiftigd met het talent van de hofnar. Bits, spottend, cynisch, ironisch, dwepend, verleidend, citerend, betoverend, danste hij opeens op de bühne die onbedoeld voor hem was opgericht door Wim Kok en zijn tovenaarsleerling Ad Melkert, die als een panisch muisje wegkroop bij zijn theatrale geweld. In plaats van stoer en zelfverzekerd de messias op zijn plaats te wijzen, keek de Paarse top hovaardig de andere kant op; ze voelden zich te goed voor hem, en tegelijkertijd wisten ze zich geen raad met zijn extraverte stijl.
Het is de natuur van een messias om de boel van de ondergang te redden, dus sprak hij van de puinhopen die geruimd moesten worden voordat het land weer zijn plaats onder de beschaafde naties kon innemen. Ons land kent ernstige problemen, maar geen rokende ruïnes. Wie de messias hoorde spreken, kreeg meteen natte voeten en dacht aan de noodzaak van zandzakken. We zouden allemaal verzuipen wanneer we bleven zitten waar we zaten, zo wekte hij de indruk, en dat kwam omdat ze in Den Haag niet op het weer letten.
Waarom geloofden velen hem? Waarom keerden velen de ongekend succesvolle paarse coalitie de rug toe en lieten zich inpalmen door een man die regelrecht afstevende op de muur waarop elke radicale politicus in ons land zijn kop kapot beukt: de muur van het compromis, de muur van de consensus, de muur van de nuance en de muur van het toedekken, het oud-Nederlandse gebruik van pappen-en-nathouden?
Eigenhandig bracht de messias een psychose teweeg. In de psychose droomden velen van ons verrukkelijke fata morgana's. De messias suggereerde dat onze samenleving geperfectioneerd kon worden, hij suggereerde dat er op elk complex probleem een pasklaar antwoord bestond en dat het mogelijk was om het gesloten, veilige, overzichtelijke en controleerbare Nederland van de jaren vijftig, aangevuld met high-speed internetverbindingen en homohuwelijken, te reproduceren.
Dat eenvoudige jaren vijftig Nederland heeft nooit bestaan. Een moderne samenleving is een onvoorstelbaar complex weefsel dat politici slechts in bescheiden mate kunnen begeleiden. De messias deed alsof hij, net als zijn linkse tegenstanders, in een maakbare samenleving geloofde; in zijn geval kon die vervolmaakt worden zodra de Haagse politiek uit haar introverte slaap zou ontwaken. Hij suggereerde dat de hemel en het paradijs onder handbereik waren, en recht, eenheid en veiligheid slechts een kwestie van organisatie.
De ramp waarmee de messias de aandacht kon trekken, was de ramp van elf september 2001. Op die dag moet de relnicht begrepen hebben dat zijn moment was gekomen. Hij had al jaren voor de conservatieve islam gewaarschuwd, en binnen enkele dagen na de ramp vormden het gevaar van het islamitisch fundamentalisme en de Nederlandse integratieproblematiek een onontwarbaar kluwen. Op elf september sneuvelden niet alleen de Twin Towers maar ook de middelen waarmee Paars een groot deel van de immigranten in een maatschappelijk vacuüm had gedreven. De messias wist waarmee hij het politieke en journalistieke establishment op de kast kon jagen: met de kutmarokkanen. Het was een verademing om hem politiek-incorrect tekeer te horen gaan. De taboemuren die progressieve politici en journalisten rondom het immigratie- en integratievraagstuk hadden opgetrokken, vergruisden onder zijn vingers. Maar brandende puinhopen waren er niet.
Onder Paars is onze welvaart onvoorstelbaar gegroeid; als onze grootouders ons konden zien, zouden zij denken dat wij allen koningskinderen zijn. Maar de politiek en de intelligentsia, zich krampachtig vasthoudend aan de illusies van multiculturalisme en cultuurrelativisme, lieten na om ons te wijzen op het unieke karakter daarvan. Daarom namen we de wereld een beetje verveeld voor kennisgeving aan en werden we een verwend volk. We willen nergens op wachten, ook al baden we in de vrije tijd. We betalen belasting en hebben dus recht op het eeuwige leven. De rijkdom die we onder Paars hebben vergaard, maakte ons gevoelig voor de speciale actieaanbiedingen van de kale messias, die ons wilde wijs maken dat we zonder gevaar, spanning of files naar Ikea kunnen rijden en bij thuiskomst altijd de juiste hoeveelheid schroefjes voor de Billy-boekenkast zullen aantreffen en daarna in een partycentrum lekker uit ons dak kunnen gaan en vervolgens dronken en stoned door een beschaafde allochtone buurtagent naar huis worden begeleid.
Van de kale man hebben we het idee overgenomen dat de overheid een geprivatiseerde dienstverlenende onderneming moet zijn. Dat kan die nooit zijn. De overheid is een wankel collectief instrument dat bemiddelt tussen de zwakkeren en de sterkeren, de rijken en de armen, de slimmen en de dommen, en dat bemiddelen is per definitie ontoereikend. Politiek bedrijven is dweilen met de kraan open, en Nederland, beneveld door welvaart en vrijheid, lijkt dat steeds minder te beseffen
De psychose die de kale man teweeggebracht heeft - en vóór hem heeft het progressieve cultuurrelativisme hetzelfde gedaan - weerhoudt ons ervan koel en afstandelijk onze zegeningen te tellen. De kale man was een oprechte patriot, iemand die het cultuurrelativisme aan de laars lapte en ronduit durfde te zeggen dat Nederland een prachtland was. Maar in het najagen van zijn verbeten ambities moest hij het beeld van de puinhopen oproepen en daarmee de zegeningen relativeren.
Een samenleving die haar kwaliteiten niet openlijk durft te benoemen, weet niet wat zij moet verdedigen en zal zichzelf te gronde richten. Omdat elk historisch besef ontbreekt, heerst in ons land het onvermogen om nationale trots te koesteren en onze identiteit zonder relativeringen te vieren - dat is de crisis waarin ons land verkeert.
Het wachten is op de volgende kale messias. Misschien heeft hij wel een lange baard en bidt hij vijf keer per dag.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.