De capitulatie van Japan in augustus 1945 was de opmaat naar de bevrijding van Nederlands-Indië. Niet alleen de (Indische) Nederlanders kregen hun vrijheid terug. Ook niet-Nederlanders hadden vastgezeten in de Jappenkampen, onder wie een kleine, maar opmerkelijke groep: de Armeniërs. Ze woonden al generaties lang in Nederlands-Indië en waren er thuis. Hun geschiedenis is echter nauwelijks bekend.
Vooral de steden Batavia en Soerabaja kenden voor de oorlog actieve Armeense gemeenschappen. De meeste Armeniërs waren in de decennia ervoor als immigranten vanuit Perzië naar Indië gekomen om er te werken. Velen verdienden een aardige boterham. Ook in een ander opzicht waren de Armeniërs bevoorrecht: ze verkeerden in de hoogste klassen. Het Indië van voor de oorlog was sociaal en juridisch zeer gelaagd: de Europeanen stonden aan de top, de autochtone bevolking onderaan. Welgestelde immigranten werden vaak toegelaten tot de top. Dat gold in elk geval voor de Armeniërs. Ze genoten dat voorrecht omdat ze christelijk waren.
De eerste Armeniërs waren enkele eeuwen eerder gearriveerd op de archipel. Armeense handelaren uit Perzië vonden vanaf de zeventiende eeuw hun weg naar Azië, actief in de handel als ze van oudsher waren. Tot de komst van de stoomschepen verliep de reis per zeilschip. Volgens de overlevering duurde vanuit de Perzische Golf zo'n anderhalf tot drie maanden. De Armeniërs brachten dadels, graan, vaten meel, olie (in buikige flessen) en rozenwater naar Java. Verder handelden ze in laken en zijde en in kunsthars voor het bedrukken van linnen of katoen. Ze exporteerden ook: suiker, koffie, vanille en diverse soorten gom.
In eerste instantie bleven de handelaren tussen Perzië en Java op en neer reizen. Na verloop van tijd streken meer en meer Armeniërs in Nederlands-Indië neer, vooral op Java. De meesten van hen gingen in Batavia wonen. Daar ontstonden ook de eerste, eigen organisaties. Een vereniging voor Armeense wezen en behoeftigen moest vanaf 1852 helpen arme jongelieden onderwijs te verschaffen.
Twee jaar later bouwde de gemeenschap een eigen kerk: de St. Johanneskerk. En vanaf 1855 werd in de Manuk en Arathoonschool Armeens taalonderwijs gegeven. De school dankte haar naam aan twee zusters, die rijk waren geworden door een erfenis. Godvruchtig en patriottisch als zij waren staken zij een groot deel van hun vermogen in Armeense organisaties. Zo schonken de edele zusters niet alleen geld voor de bouw van de kerk, maar ook voor de aanschaf van alle kerkelijke gewaden en het vaatwerk. Hoewel de zusters als financiële motor dienden, werd er ook onder gewone Armeniërs met de pet rond gegaan. Er waren collectes in Batavia, Semarang, Pekalongan, Tegal en Soerabaja - allemaal steden waar de handelaren zich inmiddels hadden gevestigd.
Rond 1900 nam de immigratie van Armeniërs uit Perzië toe. Velen volgden familie of vrienden die al eerder naar Indië waren vertrokken en die hen overhaalden ook te komen. Soerabaja werd de belangrijkste 'Armeense' stad, eerst door het aantal immigranten dat er woonde, later ook door het actieve gemeenschapsleven van deze minderheid.
Aanvankelijk ontbrak het de Armeniërs in Soerabaja aan financiën om eigen gebouwen neer te zetten. Vooral door aanspraak te maken op gelden van de Armeense gemeenschap in Batavia lukte dat in 1927 toch. De St. George kerk werd gebouwd op een stuk grond dat door de gemeenschap was aangekocht. Kosterswoning en pastorie volgden. De opeenvolgende priesters kwamen allemaal uit Perzië. Een cultureel centrum vormde samen met de kerk het centrum van de Armeense gemeenschap in Soerabaja. Deze 'Edgar Hall' werd voor vele doelen gebruikt: nationalistische of religieuze feesten en vieringen, prijsuitreikingen, opvoeringen van Armeense toneelstukken of uitvoeringen van de kinderen van de Armeense school. De kinderen volgden hier lessen als aanvulling op het reguliere Nederlandse basisonderwijs.
Er was in die bloeiperiode zelfs een Armeense sportvereniging in Soerabaja. Charitatieve instellingen waren er ook. De Java Armenische Vrouwenvereniging haalde met de organisatie van feesten en de verkoop van handwerken geld op voor goede doelen.
De handel bleef de belangrijkste bron van inkomsten voor de Armeense minderheid. Armeniërs bezaten winkels, maar ook horecagelegenheden. Een typisch Armeense onderneming was het dogcar-bedrijf: de verhuur van karretjes, getrokken door een paard, om personen te vervoeren.
Groot was de gemeenschap nog steeds niet. In de jaren dertig woonden er waarschijnlijk niet veel meer dan vijfhonderd Armeniërs in Nederlands-Indië.
De oorlog en de daarop volgende Indonesische onafhankelijkheid betekenden het einde van de Armeens-Indische geschiedenis. De Japanners stelden de Armeniërs gelijk aan Europeanen. Om die reden kwamen de meeste families terecht in de Jappenkampen. Na de Tweede Wereldoorlog vertrokken de Armeniërs uit Indië, net als de meeste Europeanen. Velen van hen gingen naar Australië en de Verenigde Staten, een aantal vestigde zich in Nederland. Slechts een enkeling ging naar Iran, het vroegere Perzië.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.