*

 

'Meneer Van der Veen, wat is er precies gebeurd?'

Eveline Brandt − 15/01/03, 00:00

De taken in de gezondheidszorg moeten veel efficiënter worden verdeeld, vindt de Raad voor de volksgezondheid en zorg (RVZ). Patiënten worden nu wanhopig van al die verschillende 'loketten'. Het relaas van de moeizame mars van Wouter van der Veen door de instituties in de zorg.

Op negen september 2002, hij was 38 jaar en al maanden aan het kwakkelen, ging Wouter van der Veen per ambulance in vliegende vaart naar de afdeling hartbewaking van het plaatselijke ziekenhuis. Hij leed aan acuut hartfalen. Zijn vriendin werd verteld dat ze zich op het ergste moest voorbereiden.

Nu, bijna een halfjaar later, is hij wonderbaarlijk goed aan het herstellen. Een maand na zijn opname mocht hij naar huis, en inmiddels heeft hij het bijna nooit meer over zijn ziekte. Des te meer over zijn moeizame mars door de instituties in de gezondheidszorg.

Nog altijd loopt hij de deur plat bij de trombosedienst, die de dosering van zijn medicijnen moet controleren. Hij frequenteert de specialist in het ziekenhuis: een cardioloog met steeds een ander gezicht. Dan nog drie keer per week naar de revalidatiekliniek om weer wat conditie op te bouwen op de hometrainer, om instructies van weer een andere cardioloog te ontvangen en om langs te gaan bij de diëtist, de fysiotherapeut en de maatschappelijk werker. Tussen al die afspraken in de revalidatiekliniek zit vaak een of twee uur wachttijd, dus algauw is hij van tien uur 's ochtends tot drie uur 's middags bezig met revalideren. Drie keer per week.

,,Je moet fulltime beschikbaar zijn'', zegt Van der Veen. ,,Soms lijkt het of ik tbs met dwangverpleging heb: ik ben ter beschikking gesteld aan mijn eigen gezondheid.'' Maar hij klaagt niet over zijn gezondheid. ,,Mijn grootste probleem is de versnipperdheid. Ik ben verbijsterd over het gebrek aan communicatie tussen de verschillende instanties. Overal waar je komt moet je 'eerst even bloed prikken'. Toen ik nog in het ziekenhuis lag, kwam de hartbewakingsafdeling om zes uur 's ochtends bloed afnemen. De trombosedienst kwam vlak daarop een eigen buisje aftappen. Algauw zat ik onder de blauwe plekken van al dat prikken. Heel naïef van mij misschien, maar kan zo'n uitslag van een bloedtest niet even van de ene naar de andere afdeling worden gefaxt?''

Nu, tijdens zijn revalidatie, verbaast hij zich nog meer. ,,'s Ochtends om half negen ben ik bij de trombosedienst geweest. Diezelfde dag om 16.00 uur heb ik een afspraak met de cardioloog. Om 17.30 uur ben ik eindelijk aan de beurt. Natuurlijk weet ik van tevoren dat het spreekuur wel zal uitlopen maar ja, ik kom toch maar netjes om 16.00 uur. Tijdens het consult zit de cardioloog de helft van de tijd zwijgend in mijn dossier te lezen. Als het lijdend voorwerp zit ik daarbij te wachten. Meneer Van der Veen, vraagt hij dan, wat is er precies gebeurd? Terwijl ik al twee keer eerder bij hem ben geweest. Voor de zoveelste keer moet ik mijn verhaal doen. Aan het eind van het consult zegt hij: Tja, het lab hier is nu dicht, komt u morgenochtend even terug om bloed te laten prikken. Terwijl ik dat die ochtend dus nog heb laten doen op een steenworp afstand van het ziekenhuis.''

,,De revalidatiekliniek communiceert ook niet met het ziekenhuis. 'Wij hebben de volgende afspraak voor u gemaakt', krijg ik van het ziekenhuis te horen. Een afspraak voor een fietstest. Diezelfde week moet ik zo'n zelfde test in de revalidatiekliniek doen. Daar begin ik nu niet meer aan. In het begin had ik nog een soort ontzag: zo zal het wel moeten. Nu vraag ik in de kliniek de uitslag van de fietstest en neem die mee naar het ziekenhuis.''

Wouter van der Veen snakt naar een eigen 'impresario'. ,,Of dan toch ten minste één 'loket' waar één persoon regelt dat ik de specialist moet spreken en meteen daarna een test kan doen. Zodat er een soort regie over mijn herstelproces wordt gevoerd. Je kunt er zelf enige regie in aanbrengen, dat lukt me nu een beetje omdat ik door schade en schande wat assertiever ben geworden, maar niet genoeg. Vier van de vijf werkdagen moet ik wel ergens opdraven, en vaak volgt dan weer die vraag: 'Meneer Van der Veen, wat is er precies gebeurd?' Sommige patiënten hebben een baas en krijgen maanden de tijd om te herstellen. Ik ben eigen baas; ik heb niet de tijd en de financiële spankracht om fulltime beschikbaar te zijn voor al die verschillende zorgverleners.''

Bezwaar tegen meer bevoegdheden voor verpleegkundigen, zoals de RVZ voorstelt, heeft Van der Veen 'absoluut niet'. ,,In het ziekenhuis was ik diep onder de indruk van de professionaliteit van de verpleegkundigen. Die kunnen heus ook wel een ECG interpreteren. Op de afdeling hartbewaking was zuster Heidi, zo heette ze echt, de enige die mij goed kon uitleggen hoe het met mij ging en hoe ik allerlei scores moest interpreteren. De cardioloog had daar geen tijd voor. Maar zuster Heidi ging 's avonds als het rustig was een uurtje aan mijn bed zitten om van alles uit te leggen. Daar zou ik me graag aan uitleveren.''

mailIcon print |