*

 

Starters huizenmarkt slecht af bij PvdA en SP

Bartho C. Boer en J.P. Boer − 04/01/03, 00:00

De verkiezingen gaan weer voor een groot deel over de economie. Maar kiezers moeten oppassen. De voorstellen van de SP en de PvdA over de hypotheekrente bijvoorbeeld pakken juist voor de starters op de woningmarkt slecht uit.

Fiscale politiek is weer hot. Met de komst van de boekhouders Zalm en Bos als lijsttrekker speelt een belangrijk deel van de verkiezingsstrijd zich af rond fiscaal-economische voorstellen.

De SP pleit voor een toptarief van 72 procent, het CDA wenst invoering van een verlofknip. De PvdA stelt de hypotheekrenteaftrek ter discussie en de VVD wil de onroerendezaakbelasting (OZB) afschaffen. Maar zijn de gevolgen van deze voorstellen voor de portemonnee wel voldoende bekend bij de kiezer? Het PvdA-voorstel is bedoeld om de hogere inkomensgroepen aan te pakken, maar slaat als een boemerang terug op de starters op de huizenmarkt. Uitvoering van de plannen van de SP versterkt op korte termijn de positie van de lage inkomenscategorieën, maar brengt de kwakkelende economische gezondheid van Nederland verder in gevaar. Tegen de verwachtingen in pakt het VVD-programma goed uit voor de smalle beurs.

Zowel PvdA als SP hebben voorstellen gelanceerd op het terrein van de hypotheekrenteaftrek. De voorstellen hebben gemeen dat de huidige regeling wordt versoberd. Toch bestaat een aantal opvallende verschillen. Uit vrees voor electorale afstraffing begint de PvdA met de belofte dat de aftrek van de hypotheekrente voor alle bestaande contracten ongemoeid gelaten wordt. Deze geruststelling is niet terug te vinden in het verkiezingsprogramma van de SP. Daarentegen vervalt de door de PvdA voorgestane eerbiedigende werking op het moment dat een aftrekgerechtigde huizenbezitter gaat verhuizen. Het voorstel van de PvdA is bedoeld om belastingplichtigen met een hoog belastbaar inkomen, dat wil zeggen boven de 49466 euro, te treffen. Voor deze groep huizenbezitters zal het aftrekrecht worden vergolden tegen een lager tarief, 42 procent in plaats van 52 procent. In tegenstelling tot de PvdA, koppelt de SP het recht op aftrek aan de hoogte van de hypotheek. Indien de hypothecaire schuld het bedrag van 225000 euro overstijgt, bestaat er voor het meerdere geen recht meer op hypotheekrenteaftrek.

Beide plannen vergroten echter de vraag naar huizen in het goedkopere segment. Wanneer hypotheekrenteaftrek alleen nog maar ten volle geldt voor goedkope woningen -in en rond het Randstedelijk gebied is 225000 euro geenszins een uitzonderlijk hoge koopsom- lijkt het gekkenwerk om een duurder huis te kopen. Gevolg is dat het alleen nog maar meer dringen wordt op de startersmarkt. Ook het plan van de PvdA zal dit niet verhelpen. De PvdA-maatregel moet een bedrag van 400 miljoen euro opleveren. Met dit bedrag is het onmogelijk om het woningaanbod in deze sector substantieel te verbeteren. Dus zal het geld, zoals uit de plannen blijkt, voornamelijk worden ingezet als vraagstimulerende koopsubsidies voor startende woningzoekers. Gevolg is dat prijzen verder stijgen op de startersmarkt.

Vervolgens maakt de SP zich, evenals de VVD, sterk voor een wijziging van de inkomstenbelastingtarieven. De SP bepleit een verhoging van het toptarief tot 72 procent. Aan de traditionele achterban van de SP zal deze belastingwijziging aanvankelijk ongemerkt voorbijgaan. Immers, mensen met lage inkomens worden niet zwaarder belast. Sterker nog, het idee is dat juist deze groep mensen door middel van extra overheidsbestedingen profiteert van de verhoogde belastinginkomsten. Maar, gegeven de huidige instabiele economische situatie zal deze veronderstelling een illusie blijken. Op termijn leidt dit voorstel onherroepelijk tot een belastingvlucht van kapitaalkrachtigen, verslechtering van de internationale concurrentiepositie en een daling van de consumptieve bestedingen. Opnieuw laat dit voorstel de SP-stemmers bedrogen achter. Minder belastinginkomsten betekent simpelweg minder financiële ruimte voor overheidssteun aan de onderkant van de samenleving. Bij gebrek aan sterke schouders is het draagkrachtbeginsel niet toepasbaar. Merkwaardigerwijs laat de VVD het draagkrachtbeginsel in stand. Het hoogste tarief wordt met drie procent verlaagd en aan de onderkant komt -door een generieke tariefsverlaging in de eerste schijf van 1 procent- een bedrag van 3 miljard gulden vrij ter compensatie van de gestegen kosten van het nieuwe zorgstelsel. Daarnaast blijft bij de VVD aflossing van de staatsschuld in één generatie het streven. Zo bezien pakken de voornemens van de VVD niet slecht uit voor de portemonnee van lagere inkomenscategorieën.

De vergrijzing onderstreept het belang van een hogere arbeidsparticipatie. Een toekomstig beroep op sociale voorzieningen moet worden bekostigd door de werkende generatie. Buiten de gebruikelijke instrumenten om hebben het CDA, met de verlofknip, en de VVD, met de afschaffing van de onroerendezaakbelasting, interessante voorstellen gedaan ter bevordering van de werkgelegenheid.

Opbrengsttechnisch is de verlofknip een ingenieus plan. Het CDA probeert met de verlofknip werkgelegenheid te creëren en tegelijkertijd het beroep op sociale voorzieningen in te dammen. Met de verlofknip kunnen werknemers namelijk tijd en geld opsparen voor een arbeidsvrije periode, waardoor een arbeidsplaats vrijkomt voor een andere werknemer. Voor de werknemer met verlof is het eigenlijk een sigaar uit eigen doos. Op het moment van uitbetalen wordt de levensloopuitkering namelijk gewoon belast. Uiteraard wordt ook op het loon van de 'nieuwe werknemer' loonbelasting ingehouden. Per saldo wordt dus tweemaal loonbelasting geheven en één beroep op een sociale voorziening wordt verijdeld.

Toch valt te betwijfelen of dit mechanisme in een verkrappende arbeidsmarkt wel tot zijn recht komt. Aannemelijk is dat werkgevers op eenvoudige wijze bezuinigen op loonkosten door de vrijgekomen plaats tijdelijk onvervuld te laten. Resultaat is dan dat er minder belastinginkomsten worden gegenereerd dan beraamd en de totale arbeidsproductiviteit stokt.

Afschaffing van de OZB, zoals de VVD voorstaat, is een algehele lastenverlaging en dus koopkrachtverbetering voor iedereen. Deze grotere bestedingsruimte van consumenten kan een impuls zijn voor de economie. Daarnaast wordt bespaard op de gigantische uitvoeringskosten van deze belasting, die in sommige gemeenten zelfs het totale bedrag aan belastinginkomsten overschrijden. Veel gemeenten verstrekken kortingen op de OZB aan inwoners onder een bepaalde inkomensgrens. Dit draagt bij aan de zogeheten armoedeval, die een onzichtbare barrière opwerpt voor mensen die willen gaan werken. Afschaffing van de OZB is ook bedoeld om deze drempel weg te nemen. Hamvraag is op welke manier het Rijk de verminderde belastinginkomsten wil compenseren. Zolang dit niet inkomensafhankelijk wordt teruggeheven zijn de lagere inkomenscategorieën lang niet slecht uit bij de VVD, vooral wanneer zij aan een baan weten te komen. Maar dat is, gegeven de spectaculaire toename van de werkloosheid, een hele opgave.

Al te gemakkelijk wordt vergeten dat belastingpolitiek aan het hart raakt van de democratisch gelegitimeerde staat. Normaliter krijgt de kiezer slechts eens in de vier jaren de kans om zich uit te spreken over de hoogte en wijze van belastingheffing. De partijen hebben meer dan ooit de traditionele bakens verzet. Starters op de woningmarkt moeten een stem op de SP of de PvdA op dit punt nog maar eens heroverwegen.

mailIcon print |