*

 

Finaal ontredderd zonder God

Door Willem Jan Otten − 04/01/03, 00:00

Hoe kun je houden van de poëzie van Achterberg, van de woorden van een perverse, obesessieve misdadiger, vraagt Willem Jan Otten zich af. 'Als zij althans mij aangrijpt, dan is het omdat ik besef dat Achterbergs leven afhing van zijn geloof in de poëzie als voor hem enige mogelijkheid om 'u' te kunnen zeggen. En niet de afgrond in te tuimelen van de gebedloze chaos.'

Waarom houden mensen van poëzie? Sinds Gerrit Achterberg in 1931 een meisje aanrandde en haar moeder doodschoot is dit een lastige vraag. Achterberg had juist een bundel geschreven - een van de fenomenaalste debuten in ons taalgebied, Afvaart. Na zijn misdaad werd hij niet berecht maar ter beschikking van de regering gesteld, en tijdens de langdurige psychiatrische behandeling, die tot na de Tweede Wereldoorlog duurde, is hij poëzie blijven schrijven, de ene bundel na de andere. Achterberg was een reindichter, iemand die zich alleen in dichtregels uitdrukte. In 1950 kreeg hij de P.C. Hooftprijs, de eerste die aan een dichter werd toegekend. Dat hij een dood en getraumatiseerd vrouwenleven op zijn geweten had wisten maar heel weinig mensen. Er werd over hem gefluisterd en vooral: met man en macht gezwegen. Er werden klamme enormiteiten gedebiteerd, bijvoorbeeld: in dit werk is het slachtoffer poëzie geworden, en dat rechtvaardigt het.

Als poëzie een misdaad zou kunnen rechtvaardigen, dan konden we het leven eindelijk af zonder geweten, maar zou de kunst onze gevangenis zijn.

Pas in 1995, toen Wim Hazeu zijn biografie publiceerde, moest iedere Achterbergliefhebber het verwarrende feit voluit onder ogen zien: als je van dit oeuvre houdt, dan houd je van de woorden van een perverse, obsessieve moordenaar.

Er zijn meer schrijvers, denkers, kunstenaars aan wier handen bloed kleeft (Paulus, Caravaggio, Marlowe, Foucault), maar er is er misschien geen die met zijn werk zo systematisch rakelings langs zijn getroubleerde verleden schampt als juist Achterberg. Het is absurd om zijn gedichten te lezen alsof leven en werk los van elkaar staan. Waarom zou je ook? Wat is dat voor liefde voor iemands werk, als die alleen stand kan houden door zijn (mis)daden te ontkennen?

Voor een aantal mensen, die de biografie niet wilden of konden verdonkeremanen, is de kennis die ze opdeden een onoverkomelijk probleem gebleken. Zij kunnen in het werk geen grootheid (meer) ontwaren. Ook zij zijn van het speciale Achterbergprobleem af: de lastige vraag naar hoe het mogelijk is dat je kunt houden van de woorden van een misdadiger.

Want dat is voor een Achterbergliefhebber de kern van de kwestie. Je leest in een gedicht dat Kindergraf heet: 'Ik loop met een paar volle borsten rond,/ die men langzaam leeg te kolven tracht'. Ik kan hoog of laag springen, maar dit zijn woorden (in het gedicht worden ze gedacht door de moeder van het dode kind) die in dat deel van mijn lezersbewustzijn belanden waar een bepaald soort rauwe rouw zetelt. Die rouw sluimert daar, maar zoekt naar zijn formulering, zijn besef, zijn realisering. Of, om een kernwoord uit de christelijke theologie te gebruiken: er is een onzegbare ervaring die incarneert in een verwoording. Woorden als deze zijn vleeswordingen, ze griffen zich, als een etszuur, in je geheugen. Gebeurt dat, dan is het te laat om je af te vragen of de dichter wel een misdadiger is of niet. En wist je dat hij dat was, dan is het alsof juist het besef van zijn menselijke tekort, hoe onvergeeflijk ook, de regels intensiveert.

Het is heilloos om in het leven van een kunstenaar te zoeken naar de sleutel voor zijn werk. Dan vallen we in de kuil die Van Colmjon en andere Achterberg-ontgoochelden hebben gegraven: het werk raakt er bedorven van - overal lees je de bewijzen van een schizofrene perversiteit.

We moeten andersom denken. Kunst is een sleutel voor het leven. Het werk verheldert de dichter. Let wel: verheldert, niet: verschoont.

Je leest: 'Ik draag gestorven zonlicht in mijn mond', - mijn hemel, hoe moet je zo'n regel uit je systeem krijgen? Hoe moet je je liefste Achterbergen uit je leven bannen? Door steeds maar 'moordenaar, viezerik, aanrander' te mompelen? 'Zo lig ik bij het klokgetik/ koel in 't heelal'. Dat staat in Herboren. Is er een simpeler zin van godverlatenheid geschreven in ons taalgebied? Zulke regels (en ik weet geen oeuvre dat er zo onwaarschijnlijk veel kent - Achterberg is een dichter van regels, meer dan van gedichten) verwijzen je naar de dichter, naar zijn leven, compleet met ondoorgrondelijke daad. Ze vragen niet zijn biografie te ontkennen of goed te praten. Ze erkennen, in hun tergende eenvoud, de realiteit van Achterbergs bestaan.

Alles draait in dit werk om de toestand van godverlatenheid, zoals die wordt ervaren door iemand die zonder God finaal ontredderd zou zijn. En juist de feiten van dit leven doen je deze verlatenheid temeer beseffen. Elk gedicht is het laatste strootje waar zijn bewustzijn aan hangt:

Een uitgeput geheim

gaat in mijn leden onder;

het had kind kunnen zijn,

denk ik, of ander wonder;

maar in u wordt het dood.

Op een of andere manier lijkt het voor de Achterbergkritiek (voor zowel de ontgoochelden als de minnaars) heel moeilijk te zijn geworden om deze poëzie tegemoet te treden als een jacobsworsteling. Een strijdtoneel om geloof. Hiermee wordt niet een 'probleem-Achterberg' blootgelegd, maar een crisis in de poëzie-kritiek. Die heeft haar zintuig voor religie laten afsterven - en lijkt zich niet meer te kunnen voorstellen dat de ware reden om hartstochtelijk van zijn werk te houden het besef is dat het hem in zijn gedichten uiteindelijk om geloof gaat.

Uw bloed, dat woord werd in mijn hand,

stroomde buiten het zinsverband,

verloren in het zand.

Dat zijn de laatste regels van het (lukraak uitgekozen) sonnet Ontworden, uit 'Dead End' (1940). Lees je ze plat-autobiografisch, dan getuigen ze inderdaad van een soort dichterlijke zelfverheffing. Helaas, ik heb een mens gedood, maar dat was geen poëzie, het speelde zich af buiten de orde die ik, met mijn enorme talent, als enige sticht.

Maar waarom zou je überhaupt gedichten willen lezen als je meent dat poëzie zo werkt? Een dichter die denkt dat zijn woorden de realiteit kunnen vervangen, speelt een vreemd, idolaat spel. Het is overigens wel het spel dat bij uitstek in de hedendaagse literatuur wordt gespeeld, en dat voor de meeste critici gefundenes Fressen is: het spel van de literatuur als een fictie temidden van ficties. Niets is in deze poëzie-opvatting waar, alles is verbeelding, dat wat we 'realiteit' noemen is relatief. Telkens wanneer je denkt dat je op de waarheid gestuit bent, op de kern, iets dat je dreigt op te eisen en te veranderen, moet je jezelf in je armen knijpen en zuchten: wie wat vindt heeft slecht gezocht.

Achterberg, die krachtens zijn biografie juist een groot belang had bij een humanistisch, vluchtziek wereldbeeld, is, vreemd genoeg, zijn leven lang juist wel in een buitenmenselijke, veeleisende waarheid blijven geloven.

De naam God komt maar weinig voor in de bijna duizend gedichten. Wel is er onophoudelijk sprake van een 'u', waardoor de meeste gedichten klinken als innerlijke gesprekken met een onzichtbare ander. Het is volmaakt duidelijk dat deze ander 'echt' is. Het heeft althans geen enkele zin om al lezend tot jezelf te mompelen: Achterberg zegt wel u, maar hij doet maar alsof, hij speelt maar een spelletje.

In de Hamlet kan de moordenaar Claudius op een gegeven moment niet meer bidden. Hij probeert nog, geknield en wel, 'u' te zeggen, maar het lukt niet. Niemand heeft sympathie met Claudius, maar iedereen voelt dat hier een verschrikking plaatsgrijpt. De moordenaar is een levende dode.

Ook Achterbergs 'u' is daar waar de onuitsprekelijke zich bevindt, in de onvindbare ruimte die overal is. Heel vaak is het een 'zij', en altijd is ze dood. En hoe vaker je deze gedichten leest hoe zekerder het wordt: als Achterberg niet meer 'u' kon zeggen, en zich met zijn woorden richten tot deze onvindbare die als het ware in de schoot van de onbenoembare verborgen is, dan zou ook hij zelf een levende dode zijn.

Dit is de mateloze inzet van dit werk, en het is in zekere zin een waanzinnige inzet. De redelijkheid verzet zich tegen het denkbeeld van een leven dat van eerste woord tot laatste punt geheel en al gewijd is aan de poging om 'u' te kunnen blijven zeggen tegen iemand die er bewijsbaar en verifieerbaar niet is. En toch - juist omdat we de biografie kennen, en bij 'u' onwillekeurig de vreselijke, driftmatige, verstandverbijsterende scène zien waarin degene op wie de dichter zijn begeerte had gericht voor altijd haar moeder doodgeschoten ziet worden -, juist daarom kunnen we begrijpen dat deze poëzie niet waanzinnig is. Als zij althans mij aangrijpt, dan is het niet omdat ik ingewijd word in de wereld van een schizofreen, maar omdat ik besef dat Achterbergs leven afhing van zijn geloof in de poëzie als (voor hem) enige mogelijkheid om 'u' te kunnen zeggen. En niet de afgrond in te tuimelen van nergens een onbenoembare ander. De gebedloze chaos.

Het zou vreemd zijn als de heersende poëziekritiek het niet moeilijk had met Achterberg. Zijn existentiële geloof in de Menswording is iets heel anders dan het fijne, zelffeliciterende idee dat poëzie op zijn best een soort substituut-religie is geworden, iets waar je in alle redelijkheid in kunt geloven zo lang je het leest. Alles mag de dichtkunst zijn - een spel met maskers, een belijdenis van leegte, een labyrint van illusies,- als zij maar niet zo irrationeel is waar te zijn.

Er is voor de lectuur van Achterberg een zekere onredelijkheid nodig. Hij was zo irrationeel om te geloven dat doden kunnen verrijzen, en dat ze dan met 'u' moeten worden aangesproken. Hij wist ook dat sommige lezers niet zelden deze 'u' zouden vereenzelvigen met Jezus, - die voor God is wat een gedicht voor een maker kan zijn. Er zijn dan ook heel wat ogenblikken waarop 'u'... de poëzie zelf is.

Achterberg wist dat hij dit alles al dichtende kon, en dat dit letterlijk ongelooflijke scheppende vermogen hem tot een evenbeeld van zijn Schepper maakte.

Het is een goede reden om poëzie te lezen, denk ik: om een onbedaarlijk feilbaar mens met man en macht te zien geloven dat hij geschapen is naar beeld en gelijkenis van de Onbenoembare. Het is (voor een dichter) de enige en geëigende manier om, zoals een andere dichter het heeft genoemd, iets van God 'op te vangen'. Opvangen, niet vangen, voegt de dichter in kwestie, Les Murray, daar aan toe.

Achterberg lezen, in het volle bewustzijn van zijn biografie, is hoe dan ook een van de zeldzame kansen die we hebben om de poëzie niet de verbinding met het christelijk geloof, ongetwijfeld het fenomenaalste gedicht denkbaar, te laten verliezen.

mailIcon print |