Als de zon schijnt, zingen koolmees, boomkruiper, heggemus, huismus en spreeuw zo druk dat het lente lijkt. In parken en plantsoenen zwerven gemengde troepjes kool-, pimpel- en staartmezen, goudhaantjes en boomkruipers rond.
Soms voegt zich daar een tjiftjaf of een grote bonte specht bij. Deze insecteneters peuteren uit hoeken en gaten overwinterende insecten en hun eitjes, larven en poppen. In parken en plantsoenen zie je tot wel twintig merels bij elkaar, overwinteraars uit het noorden. De meeste zijn mannetjes. Andere wintergasten zijn de grauwe en kolganzen, die in het nachtelijk duister luid roepend overtrekken. Overwinterende eenden hebben zich teruggetrokken naar open water. Daar zijn nu kuif- en tafeleenden, wintertalingen, zaagbekken en veel wilde eenden te zien. Ook meerkoeten verzamelen zich in het najaar in grote troepen op open water. De meerkoeten in de bebouwde kom hebben die gewoonte verlaten en blijven hangen in hun territorium, dat ze tegen andere meerkoetenparen verdedigen. In de grote vlier in onze tuin nestelt al een paartje Turkse tortels. Ook vorig jaar waren de duiven er vroeg bij, maar het legsel ging in een stormnacht verloren. Zolang het licht is, koert de doffer en houdt hij baltsvluchten. Hij vliegt dan schuin omhoog en zeilt met schuin neerwaarts gebogen vleugels naar beneden. De neuzen van de sneeuwklokjes komen boven de grond. Dat is vaak niet te zien door een dik pak dor blad, dat in de vorige herfst van de boomtakken is gevallen. Ruim dat blad niet op, want daartussen overwinteren allerlei insecten. Winterharde paddestoelen zijn veel taaie houtzwammen, zoals tonderzwam, vuurzwam, witte bultzwam, elfenbankje en grijze gaatjeszwam.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.