DEN HAAG - Of wijken nu een hoog percentage allochtone bewoners hebben of niet, voor de mate waarin de kiezer gisteren op de LPF stemde, maakt het nagenoeg niet uit. Bij andere partijen lijkt het een veel belangrijker criterium.
Bijvoorbeeld voor de PvdA (31 procent van de stemmen in wijken met veel allochtonen, 24 procent in meer 'witte wijken), of de Socialistische Partij (respectievelijk acht en vijf procent). Voor het CDA geldt het tegenovergestelde beeld. De grootste partij is relatief populairder in witte wijken: 33 procent van de stemmen in wijken met relatief weinig allochtonen, tegen 22 procent in andere wijken. Dit blijkt uit het grootscheepse onderzoek dat het bureau NSS op verkiezingsdag hield onder de kiezers. Het onderzoek werd gehouden in opdracht van de NOS en het ANP.
Onder 'witte' wijken verstaat NSS die buurten in grotere steden met een bevolking die voor meer dan vijf procent bestaat uit mensen met een allochtone achtergrond.
De cijfers zijn een illustratie van de radicale omwenteling in het kiezersgedrag sinds de vorige kamerverkiezingen. De erfgenamen van Pim Fortuyn vaagden toen links weg in de achterstandswijken. Nu zijn ze daar weer nadrukkelijk terug.
CDA-fractievoorzitter Verhagen stelde gisteravond dat het een enorme prestatie is van zijn partij dat de, op zich al verrassende, winst van mei vorig jaar is vastgehouden. De cijfers van NSS geven hem gelijk. Het CDA blijkt uit de cijfers de partij met de meest trouwe aanhang te zijn. Liefst 69 procent van de gevraagde kiezers geeft aan in mei vorig jaar CDA te hebben gestemd en dat nu te hebben herhaald. Voor de PvdA, de partij die zo enorm won, ligt dat percentage beduidend lager met 44 procent.
Uit de zetelverdeling nu en die van na de verkiezingen van mei zou kan worden afgeleid dat de PvdA haar winst voor het overgrote deel bij de LPF weghaalde. Maar de cijfers geven dat niet aan. Niet meer dan zes procent van de huidige PvdA-kiezers gaf tegenover NSS aan de vorige keer te hebben gekozen voor de erfgenamen van Fortuyn. De PvdA haalt haar winst over het hele spectrum van de Nederlandse politiek. Met als relatieve uitschieter de kiezers die in mei vorig jaar GroenLinks stemden: negen procent van het PvdA-electoraat stemde in mei nog linkser.
Dat de machtsvraag een belangrijke rol speelde in het kiezersgedrag moge ook blijken uit de cijfers van de VVD. Van de kiezers die aangaven in mei op een andere partij dan het CDA te hebben gestemd en nu kennelijk vooral Balkenende als premier willen, zijn de ex-VVD-stemmers sterk vertegenwoordigd. Na de LPF is de VVD de tweede partij waarvan het CDA sterk wint.
De kiezer is tevreden over de campagne van de afgelopen weken. Uit de NSS-cijfers blijkt dat de stelling dat de politiek de afgelopen tijd heeft leren luisteren naar de kiezer, het meest gesteund te worden. 52 procent is het daarmee eens, terwijl de stelling dat alles inmiddels weer bij het oude is, door niet meer dan 32 procent wordt gesteund.
De cijfers worden min of meer bevestigd door het antwoord op de stelling dat de LPF overbodig is geworden, omdat andere partijen de standpunten van Fortuyn heben overgenomen. 31 procent is het daarmee eens. Opvallend is dat kiezers die de LPF trouw gebleven zijn het vaakst de stelling bestrijden: 73 procent is het daarmee pertinent oneens.
Ondanks de uitslag blijft een centrum-rechtse coalitie van CDA en VVD onder het electoraat veruit favoriet. 43 procent wil dat Zalm en Balkenende met elkaar verdergaan, terwijl een CDA/PvdA-coalitie 37 procent scoort. Mocht er een derde partij nodig zijn om de 'gedroomde' coalitie mogelijk te maken, dan soort de LPF veel hoger dan D66. Twintig procent geeft de voorkeur aan de partij van Thom de Graaf, 27 procent denkt dat Mat Herben en de zijnen de derde coalitiepartij zouden moeten zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.