*

 

Om het mobiliseren van goede machten

Jurjen Wiersma − 03/01/03, 00:00

Tijdens de jaarwisseling van 1942-1943 maakte de Duitse theoloog en verzetsman Dietrich Bonhoeffer in een persoonlijke brief aan vrienden de balans op van tien jaar Hitler.

In januari 1933 was de Führer aan de macht gekomen en in september 1941 was Duitsland Rusland binnengevallen. Volgens Bonhoeffer was dit laatste een kentering van de geschiedenis, het begin van het einde. ,,Uit dat moeras komt Hitler nooit meer'', zei hij op reis in Zwitserland tegen een verbaasde Visser 't Hooft, de latere secretaris-generaal van de Wereldraad van Kerken.

Het ging spannen. Houdt men vol?, vroeg Bonhoeffer zich af. Hij zag velen falen en in hun schulp kruipen. Zij die gewoonlijk serieus leefden, die de redelijkheid zelve waren, die prat gingen op hun geweten of hun plicht deden, lieten het afweten. Alle ethische begrippen waren door elkaar gehusseld. Het was alsof je in een akelig gemaskerd bal verzeild was geraakt. Heeft een mens ooit zo weinig vaste grond onder de voeten gehad als wij nu?, verzuchtte Bonhoeffer.

Hij wilde met een schone lei beginnen. Pas nadat mensen hun redelijkheid, hun principes, hun deugden hebben opgegeven, nadat zij een offer hebben gebracht, kunnen zij weer verantwoordelijk handelen en zich wijden aan de goede zaak.

Dan raakt Bonhoeffer een theologische snaar. Men moet bereid zijn zich te laten roepen. Voor Gods aangezicht is een mens in staat tot ware gehoorzaamheid en verantwoordelijkheid. Wie zijn leven inzet als antwoord op Gods roep houdt stand.

Dit klinkt een beetje vroom in moderne oren. Bonhoeffer bedoelde dat een mens in de platgeslagen wereld van zijn dagen zonder metafysisch ijkpunt (zie de bijdrage van René van Woudenberg in Trouw van afgelopen dinsdag) niet uit de voeten kon. Zonder hogere roeping blijft een mens dolen en dwalen.

Bonhoeffer wierp een tweede vraag op. Zijn wij nog bruikbaar? Er is veel gebeurd en wij hebben veel laten gebeuren. Wij zijn, merkte hij op, getuigen geweest van uiterst kwalijke daden, maar zwegen. Wij hebben ons verkeerd laten informeren en zijn slecht voorgelicht. Wij zijn uit ervaring wantrouwig geworden: wij zijn murw geslagen of cynisch geworden. Genieën, cynici, mensenverachters, geslepen tactici kunnen we niet gebruiken: die hebben hun slag geslagen. Aan eenvoudige, gewone en rechtlijnige mensen is behoefte. Door hen kunnen we misschien weer ontdekken wat rechtschapenheid en eerlijkheid is.

Bonhoeffer gebruikt het woord civilcourage, de moed die je aantreft bij de gewone burgerman en -vrouw. Jarenlang zijn de Duitsers volledig opgegaan in hun werk en hebben zij opdrachten uitgevoerd. Zij hadden te laat door dat hun inzet, ijver en instelling konden worden misbruikt om kwaad te doen. Te laat kregen zij door dat handelen in vrijheid en verantwoordelijkheid onontbeerlijk is en dat je soms moet ingaan tegen de baas, de commandant en de opdrachtgever.

Dit soort 'civilcourage', deze vrijmoedigheid, is er alleen als een mens waarachtig vrij is. Het lijkt erop, schrijft Bonhoeffer zestig jaar geleden, dat de Duitsers nu pas ontdekken wat vrije verantwoordelijkheid betekent. Weer raakt hij een theologische snaar. Deze vorm van moed berust op een God die oproept een waagstuk in vrijheid en verantwoordelijkheid te ondernemen.

In feite spoorde Bonhoeffer aan in verzet te komen tegen Hitler. Hij vergde veel van zichzelf en zijn omgeving. De man en de vrouw in de straat moesten ,,een burger op z'n best'' worden en hun evenknie in de kerk moest zich doen kennen als ,,een mens uit één stuk'', naar het voorbeeld van Jezus. Buiten kijf is dat deze theoloog, die van huis uit vertrouwd was met het professorenmilieu van de keurige Berlijnse wijk Grunewald en goede contacten onderhield met de landadel van Pommeren, gewone mensen (zeg: de natuurlijke mens) bijzonder leerde waarderen. Bij hen zocht hij de vitaliteit die hij aanduidde met het woord civilcourage.

Daarnaast zocht hij iets van boven, een metafysisch ijkpunt. Met vrijheid en verantwoordelijkheid word je niet geboren. Die komen van God en die worden, mag je hopen, door kerk en theologie geleerd en geleefd.

Met alle (natuurlijke en bovennatuurlijke) middelen probeerde Bonhoeffer Hitlers mensenverachting te bestrijden. Hij deed zijn best bij de natuurlijke mens moed te mobiliseren. Tegelijk erkende hij de noodzaak van bemoediging uit wat van God komt.

Over die 'goede machten' schreef hij een lied, twee jaar later, als hij al anderhalf jaar in de gevangenis zit, een paar maanden vóór zijn executie. De tekst had hij ingesloten bij een brief aan zijn moeder. Als gezang 398 is het opgenomen in het Liedboek voor de Kerken.

In de kelder van de gevangenis aan de Prinz-Albrecht-Strasse in Berlijn schreef hij de ontroerende woorden over de goede machten van een ander rijk, een rijk van metafysische oorsprong, niet van maar voor de wereld. Zij kunnen maken dat mensen moed vatten.

Bonhoeffer verlangde ernaar. In zijn cel, omringd door vier kale muren en soms overvallen door een diepe neerslachtigheid, hunkerde hij naar vrede en gerechtigheid, naar vreugde en geluk. Met de moed der wanhoop schreef hij:

Door goede machten stil en trouw omgeven,

Behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar,

Zo wil ik graag met u, mijn liefsten leven,

En met u ingaan in het nieuwe jaar.

Vroom, te vroom? Ruim een halve eeuw later noteert zijn landgenoot Rüdiger Safranski: ,,Wie door de goede geesten is verlaten is en de goede gronden heeft verloren, moet alles zelf maken. Voor wie ophoudt in God te geloven blijft er niets anders over dan in de mens te geloven.''

Bonhoeffer was met de mens begaan, maar wist wel beter.

mailIcon print |