*

 

Chador moet kunnen

Jan Menger − 03/01/03, 00:00

De directeur van het regionaal opleidingscentrum Amsterdam wil niet dat scholieren hun gezicht verbergen achter een sluier. Volgens haar maakt de chador communiceren onmogelijk. Jan Menger, ook docent op een roc, vindt dat een verbod te ver gaat. Moslim Haci Karacaer spreekt echter van een moedige stap: wie een chador wil dragen hoort niet thuis in Nederland.

De directeur van het roc Amsterdam wil de gezichtssluier van een aantal cursisten gaan verbieden. Gelukkig zegt ze erbij dat ze eerst met de leerlingen wil praten. Als dat maar niet alleen is om hun uiteindelijk het verbod op te leggen. Een school mag op geen enkele manier cursisten verbieden eruit te zien zoals zij dat zelf willen.

Als ik het goed heb begrepen dragen vrouwen en meisjes de gezichtssluier alleen als zij moeten verkeren in het bijzijn van mannen. Daar zijn allerhande redenen bij bedacht die er hier niet zo toe doen. Nederlandse scholen zijn per definitie voor beide geslachten toegankelijk, dus daaruit volgt dat sommige vrouwelijke cursisten de sluier gaan dragen. Daar is in mijn ogen niets mis mee. In heel veel beroepen kun je best je taken vervullen met sluier en al. Soms is het zelfs handig een sluier te hebben -het spaart een koksmuts of haarnetje uit. Soms is het lastig, maar daar kan de cursist -de toekomstig beroepsbeoefenaar- best zelf een oplossing voor vinden.

De Amsterdamse directeur heeft het over toekomstige hulpverleners. Zij vraagt zich af hoe iemand hulpverlener kan worden als anderen haar gezicht niet mogen zien? Deze vraag vraagt om enige nuancering. Vrouwen mogen elkaars gezicht wel zien. Betrokken cursisten kunnen misschien maar op heel weinig plaatsen terecht, maar er zijn wel mogelijkheden in de hulpverlening waarbij ze werken met andere vrouwen voor vrouwen en meisjes.

Ook voor andere cursisten zal soms gelden dat ze om een beroep te kunnen uitoefenen moeten voldoen aan kledingeisen en zullen dan soms een deel van hun identiteit -een hanenkam of opvallende piercing of decolleté- moeten inleveren. Deze eisen worden echter door een werkgever geformuleerd en niet door een school.

Iemands gezicht kunnen zien en mensen aankijken als je met ze praat zijn waarden van de Nederlandse samenleving. Horen wat de ander zegt, is niet genoeg. Jonge hulpverleners hebben wel eens moeite met anderen aankijken, met contact maken. Mensen die opgroeiden in een andere cultuur dan de Nederlandse vinden dat soms nog moeilijker. Een ander recht aankijken geldt soms als brutaal of erger.

Maar velen willen dat leren, omdat ze inzien dat die vorm van contact wezenlijk is in hulp- en dienstverlening. In een gemengde groep is dat met een goede coach/begeleider goed te doen. Niet een verbod is een oplossing, maar training in oefensituaties of een rollenspel. Cursisten zullen uiteindelijk kiezen: of de sluier af of verkassen naar een andere opleiding en dus kiezen voor een ander beroep.

De school heeft deze oefeningen als voorbereiding op de praktijk als enige middel. In de eindtermen -daar waar een toekomstig beroepsbeoefenaar aan moet voldoen om een diploma te krijgen- staat nergens iets over kledingvoorschriften of hoe contact maken met anderen er precies moet uitzien. In het beroepsonderwijs is de praktijk richtinggevend en zal de school situaties moeten scheppen die de cursisten inzicht bieden in de beroepspraktijk.

Als directeur van een roc had mevrouw Verlaan die methodiek naar voren moeten brengen, omdat die voor alle cursisten geldig is.

mailIcon print |