*

 

Lenen beter dan geven

Han Koch − 22/12/03, 00:00

De Kamer debatteerde de afgelopen week fel over de vraag of ontwikkelingshulp effectief is. Er is één vorm van hulp waarvan het resultaat in elk geval vaststaat. Dat zijn leningen, aan individuele gezinnen in de derde wereld. Juist daarbij is Nederland een grote speler.

Het oordeel van de Consumentenbond kan nauwelijks een aanbeveling zijn: Het Oikocredit Nederland Fonds is een fonds met een beperkt risico, alleen is ook het rendement laag. En dat blijft zo, zo lang de erkenning door de overheid als sociaal ethisch fonds er nog niet is. Een duurzame (internet) spaarrekening is een alternatief.

Voor een belegger, op zoek naar het hoogste rendement op belegd vermogen, is het één jaar oude fonds van Oikocredit geen bancair product om van te dromen. Twee procent maximaal is het dividend dat wordt uitgekeerd en dat is de helft van wat aan rente op een spaarrekening wordt ontvangen.

Volgens Leendert Bos van Oikocredit blijft het niet bij die uitkering in dividend, er is bij het fonds ook sprake van een 'social return', niet de geldgever alleen wordt geholpen maar ook de minder draagkrachtige geldlener die eindelijk een eigen bedrijfje kan opzetten. ,,Oikocredit is geen bank die aan hulp doet, maar een ontwikkelingsorganisatie die bancaire diensten aanbiedt'', zo typeert Bos zijn werkgever.

De klant van Oikocredit is de arme bewoner in een ontwikkelingsland die wel een bedrijfsplan heeft, maar geen toegang heeft tot krediet. Of de coöperatie van boeren die geen onderpand heeft om een krediet te krijgen bij lokale banken en daardoor ten prooi dreigt te vallen aan de loan sharks, de woekeraars die tot 300 procent rente durven te vragen als ze hun geld uitlenen.

Op de vraag of je armoede beter bestrijdt door 500 euro aan de Novib, Plan International of een andere hulporganisatie te geven dan dat je dat bedrag uitleent via Oikocredit, valt volgens Bos geen eenduidig antwoord te geven. ,,Geven schept afhankelijkheid, lenen geeft zelfstandigheid'', vindt Bos en hij voegt er aan toe: ,,Je moet geld lenen waar het kan en geven waar het moet.''

Oikocredit heeft een lange traditie. In 1975 werd de organisatie opgericht door de Wereldraad van Kerken. De raad zocht naar wegen om het eigen vermogen ten nutte van de (mondiale) gemeenschap te gebruiken. Toen al erkenden de ministers Wil Albeda en Jan Pronk dat ontwikkelingshulp op den duur tot hulpverslaving kan leiden en een leenverhouding meer recht kan doen aan de waardigheid van de armen in de ontwikkelingslanden. Na geven volgt dankbaarheid, na lenen volgt de trotse terugbetaling.

En die redenering blijkt in de praktijk vaak te kloppen. De verstrekte microkredieten worden vrijwel zonder uitzondering terugbetaald. Tot de crediteuren behoren grote microkredietorganisaties die het geleende geld weer opsplitsen en grote coöperaties waar direct aan wordt geleend. Direct of indirect, de crediteuren verzaken nooit hun plicht. Voor een deel komt dat omdat het rentepercentage redelijk laag is (pakweg negen procent, op plaatsen waar vele tientallen procenten niet ongebruikelijk is) maar ook omdat microkredietsystemen gebaseerd zijn op een grote sociale controle. Bij een collectief programma is de schuld van de een, ook de schuld van de ander. Verzaakt een boer om wat voor reden dan ook, dan zijn de collega's verantwoordelijk voor de terugbetaling.

Internationaal is Oikocredit inmiddels de grootste particuliere speler geworden op het terrein van de microfinanciering. De organisatie, 30 mensen in Nederland en 60 managers in ontwikkelinglanden, zet voor 50 miljoen euro weg bij meer dan 180 microkredietorganisaties en een groot aantal coöperaties overal ter wereld. Een paar voorbeelden: 1800 cacaoboeren in Bolivia hebben een werkkapitaal gekregen van 350000 euro, met een looptijd van 10 jaar en een rente van 9 procent. Via de microkredietorganisatie Share in India krijgen plattelandsvrouwen in 389 dorpen (80000 leden) voor tien jaar de beschikking over twee leningen met een waarde van 1,8 miljoen euro. Het zijn niet alleen de grote microcredietinstellingen die Oikocredit bedient: zo krijgt een kleine fabrikant van kooien (twee stuks per dag) in Indonesië via een lokale microkredietinstelling 1200 euro tegen 2 procent rente per maand.

De totale industrie voor microkredieten is inmiddels 1,1 miljard dollar groot. Pakweg 90 procent daarvan is afkomstig van overheden of door staten gesteunde instellingen als de Wereldbank. De resterende 10 procent, ongeveer 125 miljoen dollar, is afkomstig van particuliere instellingen als Oikocredit.

De vraag naar goedkoop geld is echter aanzienlijk groter dan het aanbod. Oikocredit zoekt nu aansluiting bij gewone bankiers om het product op de schappen te leggen. Het is geschikt voor ondernemers die wel willen helpen door hun geld uit te lenen, maar niet willen weggeven. Onder dat motto wordt gezocht naar een samenwerking met de reguliere vermogensbeheerders. Namen wil Bos niet noemen, maar er is een redelijke interesse, is zijn stellige overtuiging.

In Nederland is de banktak van de Wereldraad van Kerken overigens niet de enige aanbieder. Hulporganisatie Novib heeft samen met de ASN bank het ASN Novib Fonds opgericht en de ideële Triodos bank heeft haar Triodos Fair Share Fund. De stichting Doen, beneficiënt van onder meer de Postcodeloterij, heeft eveneens een microfinancieringsprogramma.

Zo wordt de in oktober 2000 in Mozambique opgerichte Novobanco gesteund, een bank die met een startkaptiaal van 1,5 miljoen dollar micro-leningen verstrekt aan micro-ondernemers. De Rabo-bank heeft met een eigen stichting oog voor microfinanciering. En dan is er ook nog de hulporganisatie Agriterra (opgericht door de landbouworganisaties in Nederland) die via de Tilburgse verzekeraar Interpolis micro-verzekeringen aanbiedt op de Filippijnen. De micro-verzekering is feitelijk alleen geschikt voor regio's waar al een vorm van microfinanciering is. De administratie van de microlening- organisatie kan ook gebruikt worden voor het innen van premies, bijvoorbeeld voor een verzekering die uitkeert bij het wegvallen van de kostwinner.

Nederland wordt alom geprezen voor de bijdrage aan de ontwikkeling van de mondiale microkrediet-industrie. In een recente sterkte-zwakteanalyse van het Nederlands beleid wordt de inzet geprezen. De relatie tussen de tien Nederlandse organisaties die zich er mee bezighouden (verenigd in het Nederlands Platform Microfinanciering) en de ambtenaren van minister Van Ardenne (CDA, ontwikkelingssamenwerking) leidt overigens ook tot kritiek. Zo signaleert de onderzoeksgroep dat in Nederland een soort 'uniek zijn syndroom' heerst. Bij de Nederlandse hulporganisaties is een cultuur aanwezig waarbij iedereen de ander probeert te overtuigen dat zijn product uniek is. En het is maar zeer de vraag of die sfeer de effectiviteit en de efficiency bevordert.

Het valt de onderzoekers op dat hulp in Nederland nog altijd loopt via de sociale religieuse lijn. De katholieken (Cordaid), de protestanten (Icco, Woord en Daad met Oikocredit), de humanisten (via Hivos) en de onafhankelijken (Novib met vooral binding aan de socialistische stromingen ASN) hebben zich allemaal op microfinance gestort zonder dat ze precies kunnen uitleggen waarom die activiteiten niet worden samengevoegd.

Maar overeind blijft dat de onderzoekers vinden dat de organisaties veel nieuwe ideeën ontwikkelen, er een brede steun is voor microfinanciering en dat de particuliere instellingen over grote netwerken beschikken.

Kritiek is er vooral op de overheid. De onderzoekers, die 69 betrokkenen onder wie een groot aantal ambtenaren ondervroegen, stelden eerder dit jaar vast dat in Den Haag, en dan vooral op het directoraat generaal internationale samenwerking (DGIS), onvoldoende consensus heerst over de rol van de particuliere sector en de financiële dienstverlening aan de armen. Microfinanciering leidt binnen DGIS een marginaal bestaan, er wordt te weinig naar gekeken en het instrument staat te veel los van de rest van de agenda voor armoedebestrijding, zo constateert de onderzoeksgroep.

De tien particuliere organisaties die zich bezighouden met microkredieten zouden meer technische hulp van de ambtenaren van minister Van Ardenne op prijs stellen. Het ministerie van buitenlandse zaken, waar DGIS onder valt, stelt zich vooral op als financier, maar geeft verder weinig steun aan de eigen ambassades en aan de particulieren die zich met ontwikkelingshulp bezighouden. Verder werkt het systeem van het ministerie om de effecten te meten niet goed en leidt het personeelsbeleid (met veel wisselingen) niet tot het opbouwen van kennis. De onderzoekers wijzen er tevens op dat het specialisme (microfinanciering) weinig status heeft onder de ambtenaren. En dat op zich leidt tot snel vertrek als er een betere baan in de diplomatie vrijkomt.

Gelet op het toch al aanwezige gebrek aan expertise op het vlak van de microfinanciering vraagt de onderzoeksgroep zich af of het wel verstandig is de schaarse kennis over zoveel organisaties te verdelen. Het ministerie én de hulporganisaties hebben een groot aantal aanbevelingen gekregen, in februari 2004 wordt bekeken wat daarmee is gedaan.

mailIcon print |