*

 

Europese onenigheid brengt Nederland in isolement

Jeroen Bult − 01/10/03, 00:00

Het Zweedse 'nee' tegen de euro heeft grote gevolgen. Er komt een Europa van verschillende snelheden. Lastig voor Nederland aangezien het buiten de kopgroep staat. Deel 3 van een serie over een zich verenigend Europa.

Nu de Zweden hun genadeloze oordeel over de Europese eenheidsmunt hebben geveld, zal de internationale aandacht voor hun land ongetwijfeld weer spoedig tot nabij het nulpunt dalen.

Toch zal de uitslag van het referendum van 14 september ernstigere consequenties voor het Europese bouwwerk hebben, dan de zalvende retoriek van menig Europees commissaris, regeringsleider en minister ons wil doen geloven. Ook Nederland zal worden geconfronteerd met naschokken van het Zweedse 'nej'. In financieel-monetair opzicht moet Den Haag nu een potentiële bondgenoot in de strijd tegen de afbraak van het Stabiliteitspact missen. Belangrijker nog zijn de geopolitieke naschokken.

Er is in de talloze nabeschouwingen over de volksraadpleging voornamelijk gewezen op de diepgewortelde Zweeds/Scandinavische scepsis jegens Brussel en de mogelijke schadelijke gevolgen voor de Zweedse economie. De uitwerking op de Europese Unie zelf heeft echter minder aandacht gekregen. Het afhaken van Zweden legt op pijnlijke wijze bloot dat de EU een meer gefragmenteerde indruk maakt dan ooit tevoren en dat zij steeds meer begint te lijken op een optelsom van eilandjes c.q. een lappendeken van onderlinge samenwerkingsverbanden. Er zijn eurolanden, Schengen-landen en EU-lidstaten die deel uitmaken van de Navo, of die juist hun neutrale status koesteren. Er zijn landen die een Europese kopgroep bepleiten, die vooral op het terrein van het gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid het voortouw zou moeten nemen. En er zijn landen die bovenal loyaal aan de Verenigde Staten wensen te blijven, zoals de adhesieverklaring van een aantal van hen aan de Amerikaanse Irak-politiek begin dit jaar en de hysterische reactie van president Chirac hierop lieten zien.

Aldus tekent zich een opmerkelijke paradox af: Nu de vanuit historisch oogpunt alleszins gerechtvaardigde uitbreiding met de Centraal- en Oost-Europese landen daadwerkelijk in zicht komt, lijkt de EU hopeloos te versplinteren. Dit zal alleen maar verder toenemen, daar de nieuwkomers gruwen van het idee van verregaande politieke integratie c.q. soevereiniteitsoverdracht aan Brussel.

De Duitse minister van buitenlandse zaken Joschka Fischer verklaarde daags na het referendum in Zweden stellig dat de Europese integratie hoe dan ook zal worden gecontinueerd, zo nodig in de hoedanigheid van een harde kern van landen die het verdere voortouw zal nemen. Nu is het idee van zo'n avant-garde beslist niet nieuw. Onder meer de Duitse parlementariërs Schüuble en Lamers (1994), de Belgische oud-premier Dehaene (1999), minister Fischer (2000) en president Chirac (2000) lanceerden soortgelijke voorstellen en het Verdrag van Nice (2001) staat versterkte samenwerking inmiddels zowaar toe.

De vorming van zo'n revolutionaire voorhoede is onderhand onafwendbaar. De koele Britse stellingname jegens de Europese Grondwet, zoals de regering-Blair die op 9 september in een witboek verwoordde (geen soevereiniteitsoverdracht aan de EU op het gebied van buitenlandse politiek, strafrecht en belastingen), zal Parijs en Berlijn in hun overtuiging bevestigen.

Kanselier Schröder en president Chirac hebben op hun topontmoeting in Berlijn van 18 september herhaald dat zij de Europese samenwerking op defensiegebied willen intensiveren en daarbij het voortouw willen nemen. Zij zetten daarmee de koers voort die zij eerder dit jaar als gevolg van de spanningen met de Verenigde Staten over Irak zijn ingeslagen. Officieel werden ook andere landen uitgenodigd zich aan te sluiten, maar Schröder en Chirac beseffen maar al te goed dat de kans dat de pro-Amerikaanse (Groot-Brittannië, Denemarken, Spanje, Portugal) en de traditioneel neutrale (Zweden, Ierland, Finland, Oostenrijk) EU-lidstaten dit zullen doen, nihil is. Voorts is het duo voornemens om, in de beste keynesiaanse traditie, via diverse overheidsinitiatieven de kwakkelende Europese economie weer aan te zwengelen. Het Kern-Europa krijgt aldus steeds concreter vorm rond de Frans-Duitse As, met in haar kielzog België en Luxemburg. Deze tendens brengt het kabinet-Balkenende in een netelige positie. Het zal in toenemende mate worden geconfronteerd met een aangrenzend continentaal blok dat verder integreert. Aanschuiven bij dit viertal is evenwel geen optie voor Nederland, dat hierdoor fors in zijn bewegingsvrijheid zou worden gehinderd. Een klein land doet er verstandiger aan tussen de grootmachten door te schipperen. Helaas betekent het Zweedse 'nee' dat Denemarken de euro-boot eveneens zal afhouden en een EU-lidmaatschap van Noorwegen en IJsland vooralsnog verre toekomstmuziek blijft, zodat het ontstaan van een krachtig noordelijk blok binnen de EU zal uitblijven. Door aan te leunen tegen een dergelijk blok had Nederland enig tegenwicht kunnen bieden aan al te grote Frans-Duitse aspiraties. Voor Den Haag resteert nu de vorming van ad-hoccoalities, met Londen als voornaamste oriëntatiepunt. Nederland is als handelsnatie gebaat bij Europese samenhang en moet zich inspannen om verdere fragmentatie tegen te gaan. Het Zweedse 'nej' toont eens te meer aan dat de Nederlandse EU-diplomatie zich de komende tijd niet hoeft te vervelen.

mailIcon print |