Komt er wel of geen oorlog tegen Irak? Zo ja, wat vind ik ervan? Het feit dat ik op het moment van het schrijven van deze bijdrage mij op een stukje Nederland duizenden kilometers verder weg bevind, een plek waar de zon bepaald niet uitnodigt tot diep nadenken, geeft mijn bovenkamer geen rust.
Terwijl op de televisie op mijn hotelkamer de Curaçaose zender uitgebreid de lokale schoonheidskoningin demonstreert welke make-up het meest geschikt is voor de donkere huid, buldert president Bush op CNN dat zijn geduld met Saddam nu echt op is. Voor CNN beginnen de almaar dalende beurskoersen voorspelbaar te worden en kan een oorlog niet snel genoeg beginnen om voor de nodige variatie van het nieuws te zorgen.
En ik, ik heb last van een dubbel gevoel. Aan de ene kant vind ik Saddam Hoessein een schande voor zijn land. Hij mag wat mij betreft zo snel mogelijk voor de rechter worden gebracht. Irak, het land dat ooit bekendstond als het centrum van de Arabische cultuur, bevindt zich aan de rand van de afgrond. Irak, het land van grote denkers, het land van Alhallaj, de filosoof en dichter die eeuwen geleden als een van de eerste afvallige moslims in het openbaar het bestaan van een god ter discussie stelde (Ayaan Hirsi Ali is zeker niet de eerste), heeft thans de twijfelachtige eer het 'land van de duivel' te worden genoemd.
Het Iraakse volk wordt in de woorden van Bush niet door buitenlandse troepen bedreigd, maar door de eigen leider.
Helaas moet ik vaststellen dat Bush deels gelijk heeft. Bush laat natuurlijk het achterste van zijn tong niet zien als het gaat om zijn verborgen agenda, maar een leider die een van de meest afschuwelijke wapens tegen zijn eigen mensen in stelling bracht -zoals het vergassen van de inwoners van het Koerdische Halbija- verdient zo snel mogelijk te worden onttroond. Aan de andere kant kan president Bush de vrees niet wegnemen dat het bombarderen van Bagdad en andere steden tot slachtoffers zal leiden.
De 'onvermijdelijke schade' waarvan de Amerikanen bij zware bombardementen spreken, bestaat doorgaans uit onschuldige mensen die het niet kunnen helpen dat ze zijn opgezadeld met een dictator. Het zijn vrouwen met kinderen, bejaarden en hulpbehoevenden die niet in staat zijn tijdig een veilig heenkomen te zoeken.
Begrijpt u mijn dilemma?
Doordat de State of the Union van Bush dit keer voor mij op een christelijk tijdstip werd uitgezonden (of is het een islamitisch tijdstip? Ik hoop dat dergelijke uitdrukkingen niet bij wet worden verboden), heb ik de volledige speech kunnen zien waarin de machtigste man ter wereld de geesten rijp maakte voor een oorlog. ,,Het is een kwestie van weken'', waarschuwde hij. Zijn zorgvuldig gekozen oneliners werden meerdere malen onderbroken door staande ovaties van congresleden.
Dat applaus schoot bij mij totaal in het verkeerde keelgat. Bij een dergelijke speech past eerder ijzige stilte. Het applaudisseren voor een man die ten grave wordt gedragen vond ik al iets vreemds, klappen voor de komst van een oorlog is ronduit walgelijk. Oorlog is geen show en Bush is geen showmaster.
Ondertussen probeer ik mij te verplaatsen in de positie van een Irakees die de speech van Bush bij zijn ontbijt geserveerd krijgt (het is immers ochtend in Bagdad). Ik zou onmiddellijk een mensensmokkelaar in de arm nemen om weg te komen. De vraag is: waar kan ik naar toe? Kan ik bijvoorbeeld in Nederland terecht? Is een oorlogsdreiging reden om erkend te worden als displaced person? Waarschijnlijk niet. Daarvoor moet het eerst oorlog zijn. In het meest dramatisch geval laat ik mij rustig door een gammele boot op de Italiaanse kust afzetten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.