*

 

Misdaad is een 'opvoedprobleem'

Malika el Ayadi − 04/02/03, 00:00

In alle Europese landen worden pogingen ondernomen de jeugdcriminaliteit in te dammen. Het ene land kiest voor een harde hand, het andere trekt de fluwelen handschoen aan. Redacteur Malika el Ayadi maakte een rondgang langs de pogingen. Vandaag deel 4 (slot): België steggelt over de humane weg.

Hier zitten de zwaarsten van Vlaanderen. Gilbert Dossche loopt voorop door de lange grijze gangen. Aan weerszijden hangen posters van auto's, op de dikke celdeuren zitten grote sloten. Dossche is pedagoog van de gesloten instelling 'De Kempen' in Mol -in de volksmond kortweg 'Mol' genoemd, tot voor kort de meest gevreesde jeugdgevangenis van Vlaanderen.

Mol is gebouwd aan een doorgaande weg in de buurt van Turnhout. De ongeveer veertig jongeren die hier zitten komen uit Antwerpen en omgeving. Ze zijn veroordeeld voor moord, doodslag, gewelddadige overvallen en schietpartijen. Toch komen zij in de statistieken nergens voor als 'jeugdcriminelen'. Voor het wetboek zijn het jongeren 'met een opvoedprobleem'. Ze zijn daarom niet gedetineerd maar 'geplaatst' en zitten niet in een jeugdgevangenis, maar in een 'gesloten instelling'.

Terwijl Dossche verder loopt wijst hij op de tralies, de isoleercel en de zware sloten. De humane benadering van delinquente jongeren blijkt vooral op papier te bestaan, een resultaat van naar later blijkt vergaande strijd tussen de Vlamingen en de Walen. Niet over de taal, maar breder: over beschaving. Wie is op papier het tolerantst voor jongeren? Die strijd is nog steeds niet beslist.

Vlaanderen telt, in twee gesloten instellingen, slechts 150 jongeren. Niet omdat er niet meer jongeren zijn die de wet overtreden, maar omdat de instellingen stelselmatig weigeren meer jongeren op te nemen. In het verdeelde land voeren niet ambtenaren, maar de Vlaamse en de Waalse gemeenschappen zelf 'maatregelen' van rechters uit. Ze noemen het geen 'straf'. Jongeren met een opvoedprobleem straf je namelijk niet, die help je.

Dossche opent links en rechts de cellen van de jongens om te laten zien hoe ze wonen. De afdeling is verlaten. De jongens, gestoken in inrichtingskleding -spijkerbroek en allemaal hetzelfde rode t-shirt- trappen buiten op de binnenplaats een balletje. Ze zijn rond de zestien jaar. Ze lijken zich haastig voor het wedstrijdje te hebben verkleed. In de cellen liggen hun kledingstukken links en rechts op bed, klamme handdoeken hangen over een stoel. Verder ligt er in iedere cel een tubetje tandpasta en een stapeltje stripboeken. Geen versieringen aan de muur, niets persoonlijks op de grond, alleen grijze onafgewerkte muren.

De gesloten instellingen vallen onder de Vlaamse of Waalse Gemeenschapsinstellingen. Zij, en niet de federale staat, betalen de jeugdwerkers en bepalen intern het beleid. De federale staat heeft wel de zeggenschap over de gebouwen. De muren zijn daarom niet zachtgroen of geel zoals in Nederland, maar eeuwig grijs. Dat is een teken dat de staat schoon genoeg heeft van het kindvriendelijke beleid voor jeugdige moordenaars en geweldplegers.

Vraag een Vlaming naar het jeugdcriminaliteitsbeleid van de Walen, en de kans is groot dat deze een vies gezicht trekt. Franstaligen zijn arrogant, discrimineren en kijken neer op de 'Germanen' ten noorden van Brussel. Het Waalse beleid is op papier mooi, maar in werkelijkheid een 'laat maar waaien-methode. Volgens de Walen daarentegen begrijpen de Vlamingen niets van het humane Waalse strafrecht, dat uit Frankrijk komt. Vlamingen zijn in Waalse ogen kort gezegd holbewoners met wie geen intellectueel gesprek te voeren valt en die ook nog eens massaal op het ultra-rechtse Vlaams Blok stemmen.

Voor een buitenstaander is die strijd soms niet meer te volgen. Zowel de Vlamingen als de Walen weigeren al jaren hun jeugdcijfers te openbaren. Na een veroordeling door de rechter zitten de instellingen altijd vol. Vlaamse jeugdrechters hadden daar vorig jaar schoon genoeg van. Ze besloten tot obstructie. Dossche heeft daar nog steeds geen goed woord voor over. Over iedere veroordeelde jongen voor wie geen plek was, stuurden de jeugdrechters namelijk een persbericht naar de media. De kranten stonden wekenlang bol van naar huis gestuurde zware jeugdcriminelen. De 'pragmatische' Vlamingen kwamen daartegen in het geweer en eisten dat de politiek ingreep. Binnen een maand stond op Belgische bodem een heuse jeugdgevangenis: De Everberg.

Dossche en zijn directeur Sjef Jansen vinden dat nog steeds een groot schandaal. Iedere jongen voor wie zij geen plek hebben, wordt naar De Everberg gestuurd. Na een hausse in februari vorig jaar, telt De Everberg nu nog geen tien jongeren. De instelling is omheind met prikkeldraad waar scheermesjes aan zitten. Er werken daar ook niet alleen jeugdwerkers, maar ook bewaarders. Dat is een revolutie in België.

Aan de keukentafel slaat Sjef Jansen van ongeloof met de vlakke hand op tafel als hij hoort van het hoge aantal jeugddeliquenten in Nederland. Drieduizend! ,,En jullie bouwen nog cellen bij!'', proest hij uit. Twee begeleiders die erbij zijn komen zitten, kijken elkaar met gespeelde verbazing aan. Ze zetten grote ogen op en schudden het hoofd. Ze kunnen het zich niet voorstellen. Ook Dossche schudt het hoofd. Nederland moet zich diep schamen.

De werkelijkheid is dat niemand weet hoeveel criminele jongeren België telt. Criminoloog Lode Walgrave van de universiteit in Leuven probeert uit te leggen dat dat heilige geloof in cijfers van de Hollanders onzin is. Walgrave: ,,Wat zeggen we als we een toename zien?'' Hij houdt even stil en vervolgt. ,,Juist, doorgaan, doen! Meer van hetzelfde! En wat zeggen we bij een afname? ,Ah het werkt! Doen! Meer van hetzelfde! Dus, wat zijn cijfers zonder een goede analyse?''

Ghallit (17) gaan die politieke discussies ver boven de pet. Of hij nu 'jeugdcrimineel' heet of een 'jongen met een opvoedprobleem' is, het verandert weinig aan zijn situatie. Hij werd 'een maand en zeven dagen' geleden geboeid Mol binnengebracht. Om te 'acclimatiseren' zetten de begeleiders hem een paar uur in de isoleercel: een kale ruimte waar een lage betonnen tafel aan de muur is verankerd en dienst doet als bed. Verder staat er in de hoek een metalen wc en een camera. Ghallit moest zijn kleren uitdoen en een pyjama van de inrichting aantrekken. Als hij weigerde, zouden de begeleiders van de inrichting hem met geweld 'helpen'.

Als Ghallit binnenshuis de fout ingaat komt hij in sectie A. Hij zit in zijn leefgroep op een stoel tegen de verwarming. Hij huivert bij het woord. De gevreesde afdeling zit een gang verder. Jongeren mogen daar niet met elkaar praten. Alleen met de begeleiders wordt een woord gewisseld. Op sectie A is het dan ook muisstil. Alle handelingen, van opstaan tot goedemorgen zeggen, zijn vastgelegd in een protocol. De bewegingen kosten punten of leveren juist punten op. Met die bijelkaar gesprokkelde punten kunnen de jongens een stripboek lenen of een uurtje tv kijken.

Het is half vijf. Een blanke jongen zit stil aan een lange tafel bloemstukken te maken in sectie A. Volgens Dossche is hij geestelijk gestoord. Hij staat op en loopt met zijn creatie voor de begeleider uit naar zijn cel. Slaafs gaat hij voor zijn bureau staan, een meter verwijderd van de zwaarbeveiligde deur die hem de komende avond en nacht van de rest van de instelling afsluit. Hij kijkt in het licht. Zijn ogen gaan schuil achter een bril met een zwaar montuur. De begeleider twijfelt even of hij de jongen wel alleen achter kan laten, maar sluit dan toch de deur.

Net als in Nederland zitten in België jongens in een gevangenis die eigenlijk in een psychiatrisch ziekenhuis thuishoren. Dossche schat bijna 40 procent van de jongens in Mol een stoornis heeft. Vijf krijgen daar zelfs medicijnen voor. Dossche: ,,Mol heet in de volksmond 'de vuilbak'. Alle jongens voor wie in de ziekenhuizen en opvanghuizen geen plaats is, plegen vroeg of laat een delict en komen hier.'' Zij zitten hier niet omdat ze intern iets hebben misdaan, maar omdat ze hier meer aandacht krijgen.

In België verblijven jeugdige delinquenten ongeveer twee tot drie maanden in een instelling, maar voor moord en doodslag zo'n vier jaar. Jansen vindt een paar maanden soms veel te weinig. Sommige jongens zou hij langer bij zich willen houden, zodat hij meer aan opvoeding kan doen. Het liefst houdt hij ze in Mol tot ze achttien zijn.

Niet iedereen vindt dat zo'n goed idee. Lieve Balcaen werkt voor de overheid aan een nieuwe maatregel voor deliquente jongeren. Ze vindt dat de jeugdwerkers in Mol de jongeren niet helpen, maar juist de rechten van het kind schaden. In haar ogen hebben de werkers te veel macht, juist omdat ze zeggen de jongeren niet te straffen maar te helpen. Dat 'helpen' kan duren tot ze achttien zijn, omdat de jeugdwerkers altijd iets nieuws ontdekken waaraan ze willen sleutelen. Een jongen in België is daarmee in haar ogen slechter af dan bijvoorbeeld in Nederland, waar het delict en de bijhorende 'straf' te voren vaststaat.

Nieuw in België is het herstelrecht-principe. Balcaen lobbyt daarvoor bij alle jeugdrechters en jeugdofficieren van justitie in Vlaanderen en Wallonië. Sinds 1999 is aan 1277 jongeren een herstelrecht-aanbod gedaan. De veroordeelde jongens moeten dan met hun slachtoffer aan tafel zitten en samen een bijpassende 'straf' zien te verzinnen. Een nieuwe pedagogische en vooruitstrevende aanpak, vindt Balcaen het. Maar de Walen torpedeerden het plan in het parlement. De Vlamingen hebben er in hun ogen weer weinig van begrepen. De herstelgerichte benadering legt teveel nadruk op de verantwoordelijkheid van jongeren en opnieuw weinig op bescherming en opvoeding. Balcaen laat het er niet bij zitten. Ze wacht op een nieuwe regering die er misschien eindelijk in slaagt in België een nieuw jeugdstrafrecht van de grond te krijgen.

mailIcon print |