Wat een paar jaar geleden nog voor onmogelijk werd gehouden is toch werkelijkheid geworden. Een idealistische ontwikkelingsorganisatie is gaan samenwerken met een multinationale onderneming om zo de economie in een arme regio te ontwikkelen. Dus ligt er nu fruit uit Ghana in de schappen van Albert Heijn, en binnenkort wellicht cosmetica uit Afrikaanse noten.
Grootheden aan de twee uitersten van het ideologische spectrum zouden elkaar nooit ontmoeten, om de Britse schrijver Rudyard Kipling te parafraseren. De interkerkelijke hulporganisatie Icco uit Zeist en de wereldwijd opererende supermarktketen Ahold uit Zaandam logenstraffen nu deze lang gehuldigde opvatting. De twee gaan na een jaar van aftasten spoedig een herenakkoord sluiten om de ontwikkeling van Noord-Ghana op gang te brengen.
In oktober 2001 liet Ahold-topman Cees van der Hoeven in Trouw doorschemeren dat zijn concern ,,iets wilde doen in de voedseldistributie in een Afrikaans land''. Het concern wilde, gezien zijn opvattingen over maatschappelijk verantwoord ondernemen, aldus Van der Hoeven, zijn kennis beschikbaar te stellen om ,,nu echt eens een deuk in een pakje boter te slaan''.
,,Dat was zeer aarzelend'', bekent ook Roland Waardenburg, die door Van der Hoeven als manager werd aangesteld om die stap in het duister uit te werken. ,,Want waar moet je beginnen en met wat? Dat was voor ons de grote vraag. En natuurlijk ga je als groot concern jezelf niet graag eerst op de borst kloppen om vervolgens je initiatief te zien mislukken.''
Iets later in datzelfde jaar 2001 ontmoette Waardenburg op een congres Herman uit de Bosch, medewerker economische ontwikkeling van Icco. Dat was geen liefde op het eerste gezicht, daarvoor was de mentale afstand nog te groot, maar de interesse was gewekt en het afspraakje gemaakt. Waardenburg: ,,Wat Ahold zocht leek Icco te kunnen bieden. Het was voor ons heel prettig te merken dat de interesse van Icco er was vanuit het oogpunt dat naast hulp ook handel een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van arme landen. Hun kennis van de ontwikkelingslanden kon zo worden gekoppeld aan onze kennis van voedseldistributie, van logistiek, van in- en verkoop van goederen. Die mix is broodnodig.''
Uit de Bosch moest thuis meer weerstand overwinnen. Samenwerking met het grootkapitaal is niet de meest voor de hand liggende gedachte voor een hulporganisatie. Als zodanig sta je niet graag te boek als wegbereider van multinationale ondernemingen. Maar ook in de hoek van hulporganisaties is doorgedrongen dat met het slaan van waterputten en het runnen van ziekenhuisjes de ontwikkeling van een land of regio niet blijvend is gediend. Sterker nog, zonder het op gang helpen van de (lokale) economie leidt die vorm van steun tot hulpverslaving. Hulp kan niet zonder handel, weten hulporganisaties als Icco, Hivos en Novib. Novib concentreert zich daarbij vooral op het openen van de markttoegang voor producten uit ontwikkelingslanden door middel van politieke lobby.
Icco zoekt het meer in de casuïstiek. Met voorbeelden moet aangetoond worden dat armoede met economie kan worden bestreden. Enkele jaren geleden werden ondernemers en kleine producenten van bosproducten als palmhart en kokosvezel door Icco samengebracht op een conferentie in Gurupa, middenin het Braziliaanse regenwoud. Het samenwerkingsverband met Ahold is daar het logische vervolg van.
Waar Icco recent nog dacht alles in eigen hand te kunnen houden -ook de verkoop- heeft de praktijk uitgewezen dat die gedachte fout is. De in Nederland opgezette houtwerf voor tropisch hardhout uit de Solomonseilanden werd een regelrecht fiasco: een miljoen gulden verlies. Les één: het verkopen van producten is niet de kunde van een hulporganisatie.
Uit de Bosch: ,,Ontwikkelingssamenwerking zoals wij en onze collega's in Nederland die zien, is altijd met strenge randvoorwaarden omgeven geweest. Het bedrijfsleven mocht absoluut geen rol spelen. Geleidelijk zijn we gaan inzien dat ook de ontwikkeling van economische activiteiten van groot belang is. We hebben te veel in eigen hand willen houden. We zijn daarom steeds meer op zoek naar partners in de voedselketen: producenten, handel en verkopers als supermarkten. Daar komt Ahold op de proppen. Dat heeft natuurlijk tot flinke discussies geleid, ook binnen Icco. Het ging daarbij niet zozeer om deze samenwerking in het bijzonder, maar men stelde meer in het algemeen de vraag wat de 'meerwaarde' is van dit soort verbonden. Er werden allerlei doemscenario's geschetst. Natuurlijk zijn de voorwaarden waaronder we samenwerken belangrijk. Maar langzamerhand denk ik dat we te lang over problemen hebben gepraat. Dit soort kansen moeten we nu eens grijpen.''
Waar Uit de Bosch zichzelf af en toe nog verdedigt met de dictie en lichaamstaal van de maatschappelijk betrokken actievoerder, oogt Waardenburg -opzichtig gehuld in bretels en een stropdas met fruitdessin- als iemand die gewoon transacties sluit. Ook hij benadrukt de maatschappelijke betrokkenheid van zijn concern, maar zijn zorgen zijn eerder zakelijk dan ideologisch. ,,Het basismateriaal, de landbouwproducten die we zoeken, dat moet goed zijn. Daarna kunnen wij het verwerken, of in ieder geval de verwerking ondersteunen. Die aanlevering wordt door partners van Icco verzorgd.''
Fruit is in West-Afrika het meest voor de hand liggende exportproduct. Ananas en mango's bijvoorbeeld, het liefst geplukt op het moment dat de vrucht rijp is. En daarna verwerkt op Afrikaanse bodem, want Icco en Ahold begrijpen beide dat alleen de export van fruit onvoldoende is. Elke extra behandeling in het land van herkomst levert extra marge op.
Het eerste Ghanese fruit is inmiddels in Nederland verkrijgbaar, in de grote AH-XL in Arnhem. Waardenburg: ,,Sinds november testen we het bakje met in Ghana al vers verwerkte ananas bij het Nederlands publiek. De consument is enthousiast. Het smaakt voortreffelijk, het is ook op het goede moment geoogst en gesneden. Als de proef slaagt ligt het straks in alle AH-winkels.''
Voor het zover was is heel wat gezocht en gepraat. Waardenburg: ,,Ik wil direct contact met bedrijven. Zo kunnen we het beste onze wensen kenbaar maken. Mijn inkopers kunnen zo ook het beste de productie stimuleren en zonodig bijsturen. Dat heeft me alles bij elkaar veel moeite gekost. Ik ben ongeveer een jaar bezig geweest om contacten te leggen. Afrikanen opereren heel anders dan we gewend zijn. Het gaat voor alles om persoonlijke contacten.''
Daarbij zijn vele fouten gemaakt, erkent Waardenburg en daarom is de kennis van Icco van de plaatselijke verhoudingen essentieel. ,,Ik had nog een te idealistisch beeld. De Ghanezen kweken het fruit en wij gaan dat verkopen. De reacties ter plekke waren lauw. Dat viel me tegen. Later begrepen we dat de Ghanezen meer van ons verwachten dan het opkopen van fruit.''
Uit de Bosch vult aan: ,,Waar we niet op zitten te wachten is louter advies hoe te verkopen. Daar hebben we Ahold niet voor nodig. Advies is nooit weg, maar dan moet ook de volgende stap volgen: afnemen en verkopen. Die stap geeft de boeren en de verwerkers een langdurige zekerheid.'' Icco kent de boeren en heeft vervolgens de bedrijven gezocht die de verwerking van het fruit in Ghana voor hun rekening nemen. Icco koos voor een bedrijf dat is opgericht door een Engelsman en wordt gerund door Ghanese vrouwelijke managers, zo weggeplukt van de universiteit. ,,Dat bedrijf voldoet aan al onze eisen'', zegt Waardenburg. ,,Zelfs aan de strengste voedselveiligheidseisen die we sinds 1 januari dit jaar aan al onze toeleveranciers in de wereld stellen.''
Nu het eerste project toch nog vrij snel van de grond is getild, willen Ahold en Icco het niet alleen bij fruit laten. Waardenburg is inmiddels enthousiast geraakt over de shea-noot. ,,Die is zeer gewild in de VS. Kijk maar eens op cosmeticaproducten, daar is in veel gevallen de shea-noot in verwerkt. We denken er over om met deze noot uit Noord-Ghana een cosmeticalijn in de VS en Europa op te zetten, onder het huismerk van AH.''
Uit de Bosch ziet dat ook wel zitten. ,,Uiteindelijk willen we meer dan fruit alleen. Die noot groeit al lang lang in Noord-Ghana, het is niets nieuws. Maar als hij goed wordt vermarkt geeft dat aan 10000 vrouwen werk. Dat is natuurlijk prachtig.''
Ahold gaat eveneens niet alleen voor de export. Ook de lokale markt vormt een punt van aandacht. ,,We werken samen met experts van de universiteit van Ghana en lokale koks om nieuwe producten met lokale menu's te ontwikkelen. Daarvoor doen we zelfs consumententests. Dat is nieuw in die streek. Het gebeurt gewoon onder een boom met een tolk. We proberen plaatselijke maaltijden, zoals maisbloem met bonen, in een soort instantvorm te fabriceren. Dat scheelt de vrouwen een hoop tijd. Die hebben hier een zwaar bestaan. Zo staan ze om half vier al op om water te halen in een put kilometers van het dorp.'' Waardenburg moet toegeven dat dit soort producten toch vooral voor de beter betaalde Ghanees zijn weggelegd. ,,Ja, maar als de kostprijs uiteindelijk laag blijkt te zijn, willen we ook de onderkant van de markt proberen te bereiken.''
Vanwege de nog beperkte schaal van activiteiten die Icco en Ahold hebben opgezet, kunnen de twee organisaties het organisatorisch en financieel voorlopig zelf aan. Volgens Uit de Bosch en Waardenburg worden wel gesprekken gevoerd met Ontwikkelingssamenwerking en met IFC, het zachte-leningenloket van de Wereldbank.
Icco werkt inmiddels met een handvol bedrijven samen. Wellicht dat op termijn de financiering van de bedrijfsactiviteiten ondergebracht kunnen worden in een ethisch beleggingsfonds. Maar daarvoor moeten er eerst voldoende succesvolle projecten zijn. Uit de Bosch: ,,Alleen dan kunnen we de activiteiten naar het reguliere circuit brengen. Wij zijn er natuurlijk niet om Ahold te financieren. Wij zijn er in eerste instantie voor de lokale boeren.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.