*

 

Regeren betekent voor D66 meestal zetelverlies

Ruud van Heese − 25/01/03, 00:00

DEN HAAG - Niet alleen het CDA staat onder druk. Mochten de christen-democraten weerstand kunnen blijven bieden aan de toenemende pressie om snel aan te sturen op een kabinet met de PvdA, dan kan de aandacht zich gaan verleggen naar D66. Die partij is met zes zetels heel klein uit de verkiezingen gekomen. Maar ze is groot genoeg om CDA en VVD aan een meerderheid in de Tweede Kamer te helpen.

De donderdag gekozen nieuwe fractievoorzitter, Boris Dittrich, heeft die mogelijkheid met grote stelligheid van de hand gewezen. Evenmin wenst hij mee te regeren met CDA en PvdA, die samen al ruim genoeg zetels kunnen mobiliseren: 44 plus 42. Dat gegeven alleen al maakt het voor D66 niet aantrekkelijk om mee te doen. Een echte vuist kan ze in zo'n coalitie niet maken. Als de fractie dreigt te breken brengt dat het voortbestaan van het kabinet geen moment in gevaar.

Dat ligt anders in een samengaan met CDA en VVD. Die komen samen (44 plus 28) vier zetels te kort voor de kleinst mogelijke meerderheid van 76. Met de democraten erbij zou zo'n drie-partijen-kabinet steunen op 78 zetels in de Kamer. VVD-leider Zalm staat min of meer neutraal tegenover deze optie. Anders dan verder regeren met de LPF wijst Zalm samenwerken met de democraten niet af -al blijft hij voorlopig vinden dat een coalitie van CDA en PvdA het meest voor de hand ligt.

In de kwartieren van het CDA wordt anders gedacht over de democraten. Daar leeft nog steeds stilletjes de hoop dat D66 uiteindelijk toch bereid zal zijn aan te schuiven. Het kopje koffie dat CDA-leider Balkenende graag zei te willen gaan drinken (met toen nog zijn collega Thom de Graaf) was dan ook veel serieuzer bedoeld dan de luchtige toon en formulering misschien zouden doen vermoeden. Anders dan de LPF is D66 in de ogen van de christen-democraten een potentiële regeringspartij die zich al lang heeft gekwalificeerd voor het landsbestuur.

Voor D66 is dat een mooie mogelijkheid om er bij onderhandelingen over een regeerakkoord wat uit te slepen, zou je zeggen, en ook om tijdens de rit echt invloed te hebben op het kabinetsbeleid. De fractie moet echter rekening houden met een risico, dat meer is dan een theoretisch gevaar. In de 36 jaar dat de partij in de Tweede Kamer is vertegenwoordigd, is ze slechts één keer beloond voor regeringsdeelname. In 1977 hadden de kiezers voor de inbreng van D66 in het kabinet-Den Uyl wel twee zetels extra over en brachten ze de democraten op acht.

Alle andere keren dat D66 meeregeerde, moest ze bij daarop volgende verkiezingen verlies incasseren. Voor het overige viel winst alleen in de oppositie te behalen, en zelfs die plek bleek niet altijd een garantie voor electoraal succes. Zo zakte de partij in 1972 van elf naar zeven.

Dit jaar boekten de democraten vanuit de oppositiebanken opnieuw verlies: van zeven vorig jaar zakten ze naar zes.

De drie uitzonderingen op twaalf kamerverkiezingen (waarvan één afwijking in voor D66 gunstige, en twee in ongunstige zin) lijken slechts de regel te bevestigen dat meeregeren voor D66 electoraal niet profijtelijk is. ,,Hoeveel zetels van de huidige zes wil ik bij volgende kamerverkiezingen nog overhouden?'' is dan ook een vraag die de nieuwe leider Dittrich zich nadrukkelijk zal moeten stellen als hij wordt uitgenodigd om in een coalitie te stappen.

mailIcon print |