De Franse filmmaker Maurice Pialat, die al enige tijd aan nierproblemen leed, is afgelopen zaterdag op 77-jarige leeftijd in Parijs overleden. President Chirac roemde Pialat als een meester van de filmkunst. Gilles Jacob, president van het Filmfestival van Cannes, sprak van een verweesde Franse cinema.
Als je het over de hypnotiserende kracht van de cinema hebt, dan is Pialats 'Loulou' een schoolvoorbeeld. Het fysieke spel tussen Gérard Dépardieu en Isabelle Huppert, die als twee dol-verliefden door nachtelijk Parijs zwerven, vormt de peiler van de film. De hypnose komt voort uit het intense spel van de twee hoofdrolspelers, zo aanstekelijk verliefd, en de beweeglijke, bijna documentaire camera die ze geen moment uit het oog verliest.
Pialat wist zijn veelal improviserende acteurs tot grote hoogten te stuwen. Hij was de ontdekker van de 15-jarige Sandrine Bonnaire in 'A nos Amours' (1983). Maar met name Depardieu, die in vier films een soort alter ego werd, was bij Pialat grandioos. Niet alleen als de bonkige titelheld in 'Loulou', maar ook als de tedere en tegelijkertijd brute Parijse politie-inspecteur in 'Police' (1985). Hij staat ook in het geheugen gegrift als de getroubleerde priester die in Pialats provocatieve en controversiële Gouden Palm-winnaar 'Sous le Soleil de Satan' (1987) een ontmoeting heeft met de duivel. Anders dan generatiegenoten Truffaut, Godard en Chabrol, de filmers van de nouvelle vague in de jaren zestig, kwam Pialat samen met geestverwanten Jean Eustache en Philippe Garrel tot wasdom in de jaren zeventig. Zijn fysieke, autobiografisch getinte cinema, die een dozijn films telt, vond zijn vervolmaking in 'Van Gogh' (1991), het meest subtiele en hypnotiserende portret van de schilder ooit gemaakt. Alsof je Van Gogh (gespeeld door de meesterlijke Jacques Dutronc) zomaar op een dag in de Auvergne betrapt, zwalkend door een korenveld, met kraaiende zwarte raven in zijn vizier.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.