*

 

Van spijt betuigen tot in de spiegel kijken

Jan Greven − 07/01/03, 00:00

Deze maand drie jaar geleden bracht de commissie-Van Kemenade haar rapport uit over onze naoorlogse omgang met geroofd joods bezit. Toenmalig premier Kok aarzelde eerst nog, maar kwam toch met excuses dat de Nederlandse samenleving slordig was omgegaan met de positie van mensen die terugkeerden na de oorlog.

Hoe gaat zo iets het geheugen in? Bij mij als volgt: na de oorlog is er in Nederland niets gedaan aan de opvang van teruggekeerde Joden; pas halverwege de jaren zestig werd duidelijk dat de overlevenden met grote psychische problemen kampten. Waarmee mijn geheugen onverschilligheid tegenover claims op geroofd bezit koppelde aan het ontbreken van psychische opvang. Als uiting van dezelfde onverschilligheid.

Maar ontbrak het na de oorlog aan psychische opvang? Nee, zegt Jolande Withuis, dat is een misverstand uit de jaren zeventig. Ze citeert een toespraak uit 1985 van E.C. Lekkerkerker, eindredactrice van het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid van 1946 tot 1964. Na de oorlog verwachtte Lekkerkerker een enorme toevloed van mensen uit de kampen die behandeling behoefden. Die toestroom bleef uit. De geestelijke gezondheidszorg had klaarblijkelijk het eigen herstelvermogen van de teruggekeerden onderschat, constateerde ze in 1955. In 1972, bij de 'Drie van Breda', bleek dat ze zich vergist had. Toen pas werd duidelijk hoe diep de psychische oorlogsschade geworteld was.

Al was er dan psychische opvang, optimaal was die niet. Andere landen kenden speciale behandelcentra voor teruggekeerden. Wij niet. Bovendien zagen de meeste behandelaars aanpassing aan de nieuwe 'normale' omstandigheden als het geestelijk kernprobleem. Vooral ex-illegalen hadden aanpassingsproblemen. Maar, aldus psychiater A. Hutter 'mensen met een slecht geestelijk evenwichtsapparaat' help je niet door hen 'rond te draaien in de draaistoel hunner verdiensten'. Verzetsmensen moesten niet blijven hangen in het verleden. Bovendien werd er voor het verzet niet geselecteerd. Zodat 'dommen, praatgragen, renommisten, hysterische phantasten, roekelozen waren toegestroomd'. Voor hen was illegaal handelen op zich al aantrekkelijk. Dat hoefde niet te worden beloond.

Ik herinner me die manier van praten uit mijn jeugd. Nooit werd erbij gezegd, maar waarvan je later besefte dat dat op de achtergrond gespeeld moet hebben, was dat die 'abnormalen' iets gedaan hadden wat de aangepasten hadden nagelaten. Ze hadden niet de andere kant opgekeken toen hun Joodse landgenoten werden weggevoerd.

Withuis wijt het 'nationale zwijgen' in de naoorlogse jaren aan het feit dat er zulke verschillende oorlogen moesten worden verwerkt. Weggevoerde Joden, Indische ex-gevangenen, verzetsmensen en burgerslachtoffers, ze hadden allemaal hun eigen oorlog. Met heel verschillende ervaringen over de opvang erna én interpretaties van het beleefde, die hemelsbreed van elkaar verschilden en zelfs met elkaar rivaliseerden. Als gevolg van al die verschillen, zo stelt Withuis, werd er gezwegen.

Ze heeft ongetwijfeld een punt. Toch kies ik voor een andere zwijgreden. Om teruggekeerde Joden of ex-illegalen goed te kunnen behandelen, moet toch eerst in alle openbaarheid erkend worden, dat ze vreselijke dingen hebben meegemaakt, c.q. zich niet als macho of roekeloze in gevaar hebben begeven, maar om de goede zaak. Die erkenning, het kan niet anders, moet in één adem door ook het falen van al die anderen, politie, spoorwegen, bouwers, buren, noemen. Na de oorlog had niemand zin in zo'n confronterende terugblik. Withuis vermeldt dat niet, maar ik denk dat daarbij ook een rol speelde, dat men zich al behoorlijk minderwaardig voelde door de crisistijd. Daar nog eens minderwaardigheid wegens oorlogsgedrag overheen was te veel. Men wilde hartstochtelijk vooruit en juist niet omkijken.

De Amsterdamse socioloog De Swaan, die als eerste op deze zwijgreden gewezen heeft, sprak van een politieke kwestie. De Nederlandse natie faalde in de bescherming van haar burgers toen een vreemde staat een deel van de bevolking systematisch uitmoordde. Omdat in de openbaarheid gezwegen werd, functioneerden de spreekkamers van de psychiaters als 'bufferzone' tussen de private en publieke sfeer. Daar kon wel over angst, verwijt en gevoel van onveiligheid gesproken worden. Wat publiek hoorde te zijn, werd zo het domein van de psychiatrie.

Pas bij de discussie over de Drie van Breda, in 1972, baande het leed uit de spreekkamers zich een weg naar de publieke sfeer. Beter laat dan nooit, zou je zeggen. Nu kan dan eindelijk de publieke erkenning komen, dat natie en burgers faalden tegenover de Joden. Maar zo liep het niet. Verzet bleek plotseling geen zaak meer voor labielen en macho's zoals in de tijd van good old Hutter maar een erezaak, waar zo ongeveer het hele land aan had deelgenomen. Tegelijkertijd meldde zich aan de andere zijde een hausse aan oorlogsgetraumatiseerden. 'Wij ook', is de titel van het hoofdstuk waarin Withuis de ontwikkelingen na 1980 beschrijft. Met de term 'oorlogsgetroffenen' was de weg vrij om elk oorlogsleed even zwaar te tellen.

Withuis oppert de vraag niet, maar haar boek roept haar onontkoombaar op. Konden we ook na 1972 de confrontatie met het eigen verleden niet aan en werden verzet zowel als oorlogsleed daarom zo veralgemeniseerd, dat de politieke kwestie van De Swaan diep verstopt in de kast kon blijven? Ik zou die vraag bevestigend beantwoorden. Withuis laat haar in het midden.

Helaas, soms is er geen ontsnappen aan. Je ziet het ongemakheid en het gekronkel om er onderuit te komen al aankomen. Zoals bij het rapport-Van Kemenade: De premier betuigt oprecht spijt, maar echt in de spiegel kijken is er niet bij. Withuis' goed en zorgvuldig geschreven boek scherpt het nog eens in. De oorlog blijft ons achtervolgen zolang dit zwijgen duurt.

mailIcon print |