Het waren mooie verkiezingen: stevige debatten, verrassende uitkomsten en een uitstekende opkomst van het kiezersvolk. Hoe ze de geschiedenis ingaan zal pas na veel analyse kunnen worden vastgesteld: het is voer voor politicologen. Voor het moment moet worden volstaan met een voorlopige interpretatie.
Eerst de feiten. Het meest opmerkelijk is natuurlijk de winst van de PvdA en het CDA. De sociaal-democraten hingen sinds mei vorig jaar hulpeloos in de touwen maar wisten zich wonderlijk goed te herstellen. De christen-democraten zagen kans hun voortreffelijke resultaten van vorige keer te handhaven al leefden ze ook toen al boven hun stand.
De prestatie van het CDA verdient de meeste aandacht. Met de komst van Paars in 1994 achtte menige waarnemer bewezen dat de christen-democratie definitief op haar retour was. Het politieke toptalent Ruud Lubbers had de neergang een aantal jaren weten uit te stellen maar het was uitstel van executie: op den duur zou er geen plaats meer zijn voor een grote partij op christelijke grondslag. De ontzuiling is voltooid, heette het in 1994, het CDA heeft zijn tijd gehad.
Vorig jaar gebeurde het tegendeel: de paarse partijen leden niet alleen een verpletterende nederlaag maar bovendien ging een goed deel van de verloren stemmen naar het CDA. De partij, in 1994 op 34 zetels en in 1998 verder weggezakt naar 29, sprong vorig jaar mei onverwacht naar 43 zetels. Onverwacht, omdat het CDA kort tevoren een akelige leiderschapscrisis had doorgemaakt en met Jan Peter Balkenende een volstrekte nieuwkomer in het strijdperk bracht.
De verklaring van zijn succes lag buiten zijn partij, om precies te zijn: in het optreden van Pim Fortuyn. Wie niets in diens LPF zag maar begreep dat Paars onherroepelijk verloren was, koos het CDA als vluchtheuvel, in afwachting van betere tijden. Zo werd het door heel wat commentatoren ook gezien.
Toen Balkenende gedwongen werd na 87 dagen opnieuw de stembussen open te stellen, moet het hem bang te moede zijn geweest. Hij had het als premier redelijk goed gedaan maar de snelle ontbinding van zijn kabinet was uiteraard geen reclame. Bovendien kon worden verwacht dat de twee paarse partijen, PvdA en VVD, weer enigszins zouden opkrabbelen. Voor hem lag er alleen maar verlies in het verschiet.
Hoe gek het ook klinkt: tot zijn geluk verscheen er onverwacht een nieuwe ster aan het politieke firmament, Wouter Bos, die als een tweede Pim Fortuyn eigenhandig zijn partij op grote winst zette, zozeer zelfs dat de PvdA een ogenblik het premierschap binnen bereik leek te hebben.
En dus herhaalde zich het schouwspel van vorig jaar: om de sociaal-democraten van de eerste plaats af te houden, stroomden de kiezers naar de enige partij die groot genoeg was om dit te presteren: het CDA. Slachtoffer werd in het bijzonder de VVD, die net als vorig jaar nogal wat kiezers kwijtraakte aan de partij van Balkenende.
Zeer waarschijnlijk heeft ook de PvdA van dit mechanisme geprofiteerd. De verdiensten van Wouter Bos worden niet bestreden maar toen hij eenmaal succesvol bleek en het CDA begon te bedreigen, zullen tal van kiezers ter linkerzijde hun kaarten op de PvdA hebben gezet. Zoals de VVD, zo was ook de Socialistische Partij van Jan Marijnissen het slachtoffer van de laat ontbrande tweekamp. Het kan verklaren waarom de SP korte tijd hoog in de peilingen steeg maar na het offensief van Bos steeds verder wegzakte.
Dit alles betekent dat we in deze verkiezingen met een nieuw fenomeen te maken hebben gekregen: strategisch stemmen. Men kiest niet de partij die het dichtst bij de eigen voorkeur ligt en waarmee men zich min of meer verbonden voelt, maar de partij die de beste papieren heeft om de rivaal van de overwinning af te houden. De politieke sympathie wordt aan het uiteindelijke politieke effect opgeofferd.
Deze strategie resulteert in een keuze voor een grote partij omdat alleen grote partijen kans hebben op een plaats in het toekomstige kabinet of in ieder geval hun stempel op dat kabinet zullen zetten. De kleine partijen hebben het deze week dan ook zonder uitzondering slecht gedaan: de SP en de SGP wisten hun zeteltal van vorig jaar vast te houden; alle andere verloren stemmen of wisten geen enkele zetel te bemachtigen.
Op deze strategische handelwijze is kritiek mogelijk. Ook in de politiek is vreemd gaan geen sympathiek gedrag en wat belangrijker is: men kiest niet zozeer een volksvertegenwoordiging -zoals toch de bedoeling is- maar men intervenieert in de samenstelling van het nieuwe kabinet.
Maar is dit wel zo verwerpelijk? De klacht was altijd dat de veelheid van partijen de kiezers dwong hun stem uit te brengen zonder te weten wat er bij de formatie met die stem zou gebeuren. Door strategisch te stemmen, krijgt de kiezer de kans méér dan voorheen te bepalen wat zijn uiteindelijke preferentie is; in ieder geval maakt hij die nu duidelijker.
Wat op deze wijze wel in het gedrang komt, is de veelkleurigheid van het parlement. De stemmen concentreren zich bij enkele grote partijen en laten de kleintjes in de kou. Zelfs zou men kunnen concluderen dat we dusdoende op weg zijn naar een tweepartijenstelsel, voorlopig gecompliceerd door het CDA dat in de links-rechts-verdeling een ongewisse factor blijft.
Toch is dat een overhaaste conclusie: in Nederland bestaat al bijna anderhalve eeuw een ideologisch driestromenland en het is onwaarschijnlijk dat daarin veel verandering zal komen. De verkiezingsstrategie zal binnen deze driehoek moeten plaatsvinden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.